Patrick Politiek

Burgerschapsinkomen

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on juli 27, 2017

Onlangs publiceerde de directeur van de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland het pleidooi Geef mensen die meedoen een participatie-inkomen. Frank Bluiminck wil mensen met een beperking ondersteunen, ook met een inkomen, om mee te kunnen draaien in de samenleving.
Vorig jaar gebruikte Raymond Gradus, hoogleraar bestuur en economie van de publieke en nonprofit sector aan de VU, dezelfde term participatie-inkomen als alternatief voor het basisinkomen; in feite bedoelt hij hiermee een beperkte vorm van voorwaardelijk basisinkomen.
Ik pleit er hier voor het (basis)inkomen in ruil voor actieve maatschappelijke deelname uiterst breed te trekken.

Vrijwel alle mensen leveren naar vermogen en interesse een bijdrage aan de samenleving waarvan ze deel uitmaken. Waarom zou de samenleving de ene vorm van vrijwillige participatie financieel hoger waarderen dan de andere? Alle burgers zijn vrij in de mate en de vorm waarin zij hun maatschappelijke bijdrage leveren. De principes van vrijheid en gelijkheid vragen dan ook om een gelijke waardering voor elke vorm van burgerschap die iemand kiest. Ik spreek daarom dus van een burgerschapsinkomen, een basisinkomen dat iedere burger in staat stelt om op eigen wijze het burgerschap, het lidmaatschap van een formele samenleving, in te richten.

Waardevolle werkzaamheden

Naast deze, noem het principiële argumentatie is er ook een meer praktische redenering denkbaar die op hetzelfde punt uitmondt, als je de huidige manier van belonen van werk in de samenleving relativeert.

“Feitelijk is de koek op de arbeidsmarkt veel groter, in de zin van het voor¬handen zijn van werk dat vanuit een bredere maatschappelijke opvatting van lonend werk uitstekend kan worden gedaan.” In hun pleidooi voor een parallelle economie wezen Ton Wilthagen en Jos Verhoeven, respectievelijk hoogleraar Arbeidsmarkt in Tilburg en directeur van Start Foundation, op de betrekkelijkheid van wat we in de samenleving onder lonend werk verstaan. Er is veel meer goeds te doen in de samenleving dan we nu waarderen door ervoor te betalen.
Ik draai het ook om: we hebben nu soms absurd veel geld over – of sommige mensen hebben in elk geval een absurd hoog inkomen uit – activiteiten die maatschappelijk gezien helemaal geen zinvolle bijdrage zijn, of die zelfs alleen de verwoesting (of enorme kwaliteitsvermindering) van onze leefomgeving tot gevolg hebben. Je kunt in zekere zin een belasting op topinkomens ook zien als een vorm van straf voor een gebrek aan maatschappelijk relevante werkzaamheden. Of als financiële bijdrage aan de samenleving waar anderen misschien veel meer in natura geven, door hun vrijwilligerswerk, door hun mantelzorg – onbetaalbaar! – of door hun (bijdrage aan de) opvoeding van een nieuwe generatie, om maar een paar willekeurige voorbeelden te noemen waarmee al een enorm scala aan voor de samenleving schier onmisbare activiteiten worden gedekt.

Belonen

De betrekkelijkheid van het huidige systeem van beloning van vrijwillige activiteiten wordt ook duidelijk uit werkzaamheden waar de samenleving nog niet zo lang geleden wel een financiële waardering voor over had, maar die onder het doorgeslagen neoliberaal marktdenken zijn wegbezuinigd. Denk aan toezichthouders in het openbaar vervoer, hulpconciërges die op (basis)scholen de werkdruk van de leerkrachten verlichten of huismeesters die de hele dag aanspreekbaar zijn in sociale huurcomplexen.

Op al deze en nog veel meer plekken kunnen we als samenleving wel wat extra hulp, aandacht en toezicht gebruiken, maar hebben we er in het huidige systeem geen geld voor over. Nou, hier en daar zie je wel weer straatcoaches, gastvrouwen en -heren, fietscoaches en wat dies meer zij opduiken. Dus waarom belonen we niet ook natuurliefhebbers die natuur- en milieulessen verzorgen op scholen of liever nog in het groen? Of gidsen die toeristen ontvangen en wegwijs maken? Of vul zelf maar in, er is genoeg te doen in de maatschappij!

Als we redeneren vanuit een brede maatschappelijke opvatting van wat waardevolle werkzaamheden voor de samenleving zijn, zijn er maar weinig mensen zonder commercieel inkomen die helemaal niets bijdragen en die buiten de regeling vallen van een burgerschapsinkomen als vorm van voorwaardelijk basisinkomen. In veel gevallen zal het dan gaan om mensen die daartoe lichamelijk of geestelijk niet in staat zijn en daarom een beroep (moeten) doen op de solidariteit van de samenleving als geheel. In een enkel geval kan iemand zich geheel onttrekken aan de samenleving. Ook dat is een vrije keus natuurlijk!

Basisinkomen

In de discussie over het basisinkomen worden veel andere relevante, aanvullende argumenten naar voren gebracht, onder meer over de afname van werk door robotisering en over de vermindering van de uitvoeringskosten door alle verschillende uitkeringsvormen te combineren. Die ga ik hier niet allemaal uitgebreid herhalen. Het zal duidelijk zijn dat ik uit de varianten van een onvoorwaardelijk en een voorwaardelijk basisinkomen kies voor een inkomen met maar één voorwaarde, en dan ook nog eens zo ruim geformuleerd dat vrijwel iedereen onder de regeling valt. Behalve mensen die een inkomen verdienen door zo veel uren te werken dat ze geen tijd over houden om maatschappelijk zinvol bezig te zijn 😉

Advertenties

Drie losse gedachten

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on oktober 23, 2016

Vanmiddag gaf minister Plasterk in Buitenhof een suggestie mee aan de commissie staatkundige vernieuwing die hij nog steeds een keer moet instellen. Hoewel best een zinvolle gedachte om in de toekomst om te gaan met de spanning tussen de Tweede en de Eerste Kamer, was het nogal een losstaande suggestie. In de categorie ‘losse flodders’ heb ik er ook nog wel drie, die ik de commissie in overweging geef.

  1. Bewindslieden zijn geen lid van een politieke partij

In de jaren ’60 van de vorige eeuw[i] kwam het nog voor: ministers en staatssecretarissen die het ambt kregen toebedeeld niet omdat zij lid waren van een regeringspartij, maar louter vanwege hun bekwaamheden. Laten we dat tot stelregel maken. Dat heeft twee grote voordelen. We krijgen in het vervolg alleen nog bewindslieden die hun sporen hebben verdiend in de maatschappij en in elk geval geen mensen meer die het ambt alleen krijgen als beloning voor bewezen diensten binnen een partij. Bovendien verliezen partijen hun functie als carrièrevehikels en kunnen zij zich volledig richten op hun primaire doel: het inbrengen van wensen en belangen in het publieke debat en in de democra­tische besluitvorming.

  1. Een wet is ten minste tien jaar van kracht

Een van de gebreken van de parlementaire besluitvorming waar onze samenleving veel last van heeft, is het gebrek aan kwaliteit van veel wetgeving. Wetten worden om politieke (bezuinigings) redenen overhaast ingevoerd (decentralisatie sociaal domein), blijken in de praktijk onuitvoerbaar (pgb-uitbetaling) en negatieve adviezen van de Raad van State worden in de wind geslagen (‘passend onderwijs’[ii]). Als wetten tien jaar van kracht moeten blijven, gaat daar een preventieve werking van uit: de Kamers bedenken zich allebei wel twee keer voordat ze iets tot wet verheffen. En zo blijft de samenleving ook mooi verschoond van steeds sneller veranderende wet- en regelgeving.

  1. Een modern ‘schervengericht’

In de klassieke Atheense democratie konden burgers de naam van een politicus die ze te machtig vonden worden of die ze om andere reden zat waren, op een stuk aardewerk krassen. De politicus die – boven een ondergrens – het meest werd ‘genomineerd’, werd voor tien jaar verbannen.  Een moderne variant zou een gekwalificeerde meerderheid van redelijke burgers aan een manier helpen om een populist die de rechtstaat bedreigt af te stoppen voor het te laat is. Of om een godsdienst die zijn regels via een partij aan de hele samenleving zou willen opleggen tijdig te stuiten. Zo maken we onze democratie weerbaar[iii] tegen intolerantie en ondemocratische bedreigingen.

[i] Kabinet Zijlstra, 1966-67
[ii] bedoeld is het wetsvoorstel extra ondersteuning onderwijs dat 11 april jl. is ingediend ondanks een advies van de RvS van het hele wetsvoorstel af te zien.
[iii] referentie aan Bastiaan Rijpkema, Weerbare democratie

Tagged with: ,

Drie klassieke gedachten over democratie

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on juli 13, 2016

‘Werken aan nieuwe democratie’ – met dat motto is de afgelopen maanden binnen GroenLinks een partijbrede discussie gevoerd over de vraag: zeggenschap, hoe doe je dat? Bij gesprekken over democratie en zeggenschap grijp ik graag terug op de klassieken: het hele begrip democratie is immers van klassieke origine. Voor wie denkt dat wij in een democratie leven breng ik dan om te beginnen graag de omschrijving van Aristoteles* onder de aandacht: dat men om de beurt wordt geregeerd en zelf regeert…
Het meest bekende onderdeel van de klassieke Griekse democratie is – althans sinds het pleidooi van David Van Reybrouck Tegen verkiezingen – het principe van loting als uiting van de fundamentele gelijkwaardigheid van alle deelnemers aan de samenleving. Ik geef de lezer hier graag drie minder bekende klassieke gedachten mee.

Cyclus van staatsvormen
Een pessimistisch stemmende gedachte is dat er een wetmatige pervertering plaatsvindt van de ‘zuivere’ staatsvormen. De alleenheerser wordt op den duur tyranniek, de elite regentesk en de brave burgers ontaarden in een verwende massa die als ze haar zin niet krijgt agressief wordt. Het eind van het liedje is dat de roep om een sterke leider klinkt, die eerst inderdaad orde op zaken stelt maar zich allengs ontpopt tot een alleenheerser, terug bij af:

cyclus staatsvormen

We zouden hieruit het gevaar kunnen destilleren van “te veel democratie”. Het risico dat onkunde, willekeur en volksmennerij leiden tot onevenwichtig of wispelturig beleid is nuttig om in het achterhoofd te houden bijvoorbeeld bij discussies over de wenselijkheid van referenda en gekozen ministers-president of burgemeesters.

Het ideaal van de gemengde constitutie
Romeinse denkers vonden dat hun republiek een uitgebalanceerd geheel vormde waarin de invloed van de burgers, de deskundigheid van de elite en de beslissende daadkracht van politieke leiders verzekerd waren. Onze ‘diplomademocratie’ heeft ook wel sterke trekken van zo’n gemengde constitutie:

gemengde staatsvorm

Een les voor onze tijd zou kunnen zijn dat we vooral moeten denken in termen van verrijking van het democratische arsenaal met een scherp oog voor evenwicht van de verschillende invloeden. Dus als er een rechtstreeks gekozen burgemeester komt, dan ook een (digitaal) ‘schervengericht’ waarmee een te eigengereide politicus kan worden weggestemd. Het is dus ook niet óf een doe-democratie óf een vertegenwoordigende democratie: het gaat om de verhouding tussen meer directe zeggenschap en deliberatieve democratie enerzijds en de representatieve democratie zoals die zich in de moderne tijd heeft ontwikkeld anderzijds.

Volkstribuun
In het verlengde daarvan noem ik als derde gedachte de figuur van de volkstribuun. In zeker zin vervult onze ombudsman de rol van een volkstribuun: het opkomen voor de belangen van een (on(der)vertegenwoordigde) minderheid of zelfs eenling. Onlangs opperde DWARS het idee van een ombudsteam voor toekomstige generaties, om te garanderen dat hun belang meeweegt bij het vaststellen van het beleid van nu. Misschien zou zo’n figuur net als in de oudheid moeten worden bekleed met een unieke doorzettingsmacht (vetorecht, interventierecht). Maar ook voor de huidige niet-gehoorde burgers kan zo’n ‘volkstribuun’ nuttig zijn, om bij te dragen aan een goed functionerend samenspel tussen overheidsbestuur en zelfbestuur door burgers.

*Arist. Pol. verkorte weergave 1317b1

 

De noodzaak méér mensen méér mee te nemen bij de inrichting van de samenleving

Posted in gemeenteraad Zwolle by patrickpolitiek on juli 7, 2016

Aan het begin van mijn algemene politieke beschouwing in de Zwolse gemeenteraad heb ik in een persoonlijke hartekreet mijn zorgen gedeeld over de polarisatie in ons land, “die de democratische proporties te buiten dreigt te gaan.” En dat is “wel het laatste wat we kunnen hebben in een tijd waarin de noodzaak om samen op te trekken nog nooit zo groot is geweest.”

Ons land maakt een polarisatie mee die de democratische proporties te buiten dreigt te gaan. We zijn getuigen van een valse verharding van het publieke debat – het is al bijna geen debat meer, alleen nog woorden die bedoeld zijn om te horen, niet om naar te luisteren. Mensen verschansen zich in twee kampen, vijandbeelden worden opgetuigd, karikaturen van elkaar geschetst. Nu is in Zwolle het woord revolte nog niet gevallen en kwamen er bij discussies over het azc alleen woorden, geen vuisten aan te pas, zoals elders. Toch merken we ook hier een zekere verharding; denk aan de strijd om wat de een het geluidsniveau, de ander herrie bij evenementen noemt…

Zo’n kloof, die wel overschreeuwbaar is maar niet overbrugbaar lijkt, is wel het laatste wat we kunnen hebben in  een tijd waarin de noodzaak om samen op te trekken nog nooit zo groot is geweest. Dat geldt op wereldschaal, waar de onderlinge afhankelijkheid sterker is dan ooit tevoren; denk aan de klimaatverandering, denk aan de migratiebewegingen die daar al dan niet indirect mee samenhangen. Dat geldt ook in onze stad. We kunnen de toekomst alleen met vertrouwen tegemoet treden als we ons met elkaar verbonden weten en samen werken.

Daarom ben ik in mijn politieke beschouwing ingegaan op de noodzaak méér mensen méér mee te nemen bij de inrichting van onze samenleving. De noodzaak om samen méér inspanningen te verrichten om onze leefomgeving ook in de toekomst leefbaar te houden. We moeten er voor zorgen dat méér mensen ook daadwerkelijk mee kunnen doen in onze maatschappij.

15 september is de internationale Dag van de Democratie. De Verenigde Naties benadrukken dat het bij democratie niet alleen gaat om de formele invloed van mensen op politiek, economie en cultuur, maar ook om het voluit mee kunnen doen en zeggenschap hebben over alle domeinen van je leven.
Mensen moeten zelf de democratische ervaring weer aan den lijve ondervinden: democratie is niet volharden in je eigen gelijk, democratie is rekening houden met elkaar, er samen uit komen, geven en nemen, botsen en elkaar weer de hand reiken. Omdat je samen verder moet. Juist nu. Vooral nu.

Het volledige betoog is te lezen op de website van GroenLinks Zwolle.

Zeggenschap en tegenmacht

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on december 24, 2013

Bij democratie draait het om de mate van zeggenschap die je hebt om je leven vorm te geven, in je directe woonomgeving, op je werk, in de samenleving waar je deel van uitmaakt. Fundamentele gelijkwaardigheid van mensen, vrijheid van meninguiting en toegang tot alle relevante informatie zijn daarom wezenlijke bestanddelen van democratie. In navolging van Christiaan van der Veeke wil ik ‘op een heel andere manier naar het fenomeen democratie kijken.’[1] Ik pleit ervoor om democratie veel ruimer te definiëren.

Daarbij zal ik mij beperken tot twee aspecten, aansluitend bij een centrale notie in het betoog van Van der Veeken: “het is belangrijk dat we democratie niet reduceren tot verkiezingen en een representatief parlementair systeem. En dat we de rol van de burger niet conceptueel beperken tot stemmen en het uitoefenen van controle, maar aanvullen met deliberatie, aanvechting en agendering.”
Op het eerste punt bepleit ik een verruiming van (het denken over) democratie tot de private sector. Voor de functies van deliberatie, aanvechting en agendering is informatie­voorziening van cruciale betekenis. Ook op dat punt ga ik hieronder in.

Zeggenschap

In de kopij voor een lesboek voor het vak economie die ik als redacteur een jaar of tien geleden onder ogen kreeg, stond een intrigerende tabel met de 100 grootste economische machten in de wereld anno 2000[2]. Daarin zijn de landen gerangschikt naar bruto nationaal product en de bedrijven naar omzet. De lijst bevat meer ondernemingen dan landen! Je kunt met in het achterhoofd de conclusies van Joris Luyendijk na twee jaar onderdompeling in de Londense City haast zeggen: je kunt hier en daar beter spreken van landen in een bedrijf dan van bedrijven in een land.[3]
Het is in dat licht dat ik de woorden van Van der Veeke wil lezen: “de termen samenleving en rechtstaat dekken de lading niet wat betreft de demos en democratie.” Wat hebben we aan een ogenschijnlijk keurig werkend systeem van parlementaire democratie waarin je direct en indirect invloed kunt uitoefenen op de gang van zaken in je gemeente, provincie, land of gemeenschap van landen, als de echte machten zoals internationaal opererende bedrijven geheel buiten dit systeem om opereren? Als we iets zouden kunnen leren van de ‘bankencrisis’ en de ‘Eurocrisis’ dan is het wel dat de beslissingen en het beleid van private ondernemingen zonder enige democratische legitimatie een enorme invloed kunnen uitoefenen op complete nationale en transnationale economieën en daarmee op het dagelijks leven van mensen.[4]

Behalve naar de macht van bedrijven ten opzichte van democratisch bestuurde landen, kunnen we ons ook richten op de zeggenschap die mensen als werknemer of consument hebben ten opzichte van bedrijven. In ons land kennen we een wettelijke verankerde medezeggenschap, die bijvoorbeeld in het onderwijs niet alleen de werknemers bepaalde bevoegdheden verleent, maar ook de ‘klanten’: de leerlingen of ouders. Bij ondernemingsraden beperkt de medezeggenschap zich tot de werknemers en in de praktijk hebben de toegekende bevoegdheden een beperkte waarde. Je zou kunnen zeggen dat het democratisch gehalte in zo’n situatie laag is.

Bij democratie gaat het in mijn ogen om de zeggenschap die je hebt, de invloed die je kunt uitoefenen in de situatie waarin je je bevindt. De fundamentele gelijkwaardigheid van mensen vereist logischerwijs dat iedereen ten principale – net zo goed als dat geldt voor de vrijheid van meninguiting – evenveel recht heeft op zeggenschap. Dan moet ieders individuele recht op invloed dus niet beperkt blijven tot het publieke domein, al helemaal niet nu dat zeker niet meer de belangrijkste factor van betekenis is in een samenleving die gedomineerd wordt door ‘de economie’. Zeggenschap van burgers als consumenten en als werknemers bij de vaststelling van het beleid van particuliere bedrijven – en het gelijke speelveld dat daarvoor nodig is – zou democratie tot stand kunnen brengen in alle relevante geledingen van de maatschappij. En wellicht fungeert deze vorm van democratie dan als breekijzer om de ongeclausuleerde macht van megabedrijven te bedwingen.

Tegenmacht

Om invloed te kunnen uitoefenen, zowel in het publieke domein als in de private sector, heb je informatie nodig. De trits van Den Uyl bevatte niet voor niets behalve de spreiding van inkomen en macht ook kennis.
In de democratie wordt sinds Montesquieu gesproken over drie onderscheiden en (theoretisch) gescheiden machten, de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Maar zeker in de tegenwoordige informatiemaatschappij valt er veel te zeggen voor een vierde macht, een tegenmacht, die een goede informatievoorziening waarborgt. Informatie is immers onontbeerlijk voor het goed functioneren van democratie, zowel in de conventionele betekenis als in een ruimere opvatting van uitoefening van zeggenschap.
“Journalistiek, gericht op waarheidsvinding en onafhankelijke duiding van relevante thema’s en ontwikkelingen, is een voorwaarde voor een goed functionerende democratie. Het is dan ook de taak van de wetgever en uitvoerende overheden om die te faciliteren, ook met funding. Goede informatie is een grondrecht.” Aldus journalist en voormalig Sp!ts-hoofdredacteur Bart Brouwers.[5]
Ik zal hier niet ingaan op de zeven verschillende opties die Brouwers noemt voor de vorm waarin de overheid de informatievoorziening zou kunnen schragen – hoe interessant ook bijvoorbeeld de suggestie is om de verdeling van het geld te laten bepalen door de gebruikers van de informatiebronnen. Ook de discussie over de onafhankelijkheid van de journalistieke media versus overheidssteun laat ik hier rusten met de constatering dat het idee dat de markt de persvrijheid wel garandeert, al lang niet meer door de feiten wordt geschraagd.[6]
Het is mij met dit citaat te doen om de notie dat goede informatie een grondrecht is. Om het ideaal van zeggenschap waar te kunnen maken is informatie in de zin die Brouwers omschrijft, een noodzakelijke voorwaarde. Ik geef een eenvoudig voorbeeld uit mijn eigen ervaring als gemeenteraadslid om het belang van duiding en interpretatie handen en voeten te geven.
De formele beantwoording van de bezwaren die inwoners van Zwolle indienen tegen bestemmingsplannen of tegen bouwaanvragen (pardon, ik bedoel natuurlijk aanvragen voor een omgevingsvergunning) is soms zo onbegrijpelijk dat iemand onlangs in de raadsvergadering kwam inspreken om zijn gelijk te halen terwijl hij dat in de ‘zienswijzennota’ al lang had gekregen. Inmiddels heb ik via een motie voor elkaar gekregen dat mensen in begrijpelijke taal een reactie ontvangen[7], maar het punt dat ik wil maken is duidelijk: alleen alle informatie openbaar maken volstaat niet om daadwerkelijke zeggenschap te garanderen.
Denk alleen maar aan de praktijk om nieuws dat men liever niet bekend maakt op ongunstige tijdstippen te publiceren, of in de slipstream van grote nieuwsitems, in de hoop dat die de onwelgevallige openbaarmaking zullen overschaduwen.
‘Onafhankelijke duiding van relevante thema’s en ontwikkelingen’ maakt net zo goed onderdeel uit van de noodzakelijke informatievoorziening als ‘waarheidsvinding’ en openbaarheid van bestuur. De journalistiek is daarmee in het bezit van de kostbare tegenmacht, de vierde pijler onder onze parlementaire democratie en al even noodzakelijk voor de werkelijke invloed in alle andere situaties waarin we iets te zeggen willen hebben over ons eigen leven.

Zeggenschap en tegenmacht

Als je dit idee van de journalistiek (en ik schrijf natuurlijk opzettelijk niet: ‘de (conventionele) media) als vierde pijler van de democratische samenleving combineert met de grondgedachte van het recht op zeggenschap in alle domeinen van de samenleving, ook de private sector, dan blijkt pas echt hoezeer Van der Veeke gelijk heeft met zijn constatering dat we over het algemeen democratie veel te beperkt opvatten. Want aan controlerende informatievoorziening over bedrijfsbeleid om daadwerkelijke zeggenschap te schragen schort het in onze huidige samenleving ten enenmale. Als je het zo bekijkt, hebben we democratie in de gangbare praktijk geheel beperkt tot een zeer afgepaald deel van de maatschappij dat we het publieke domein noemen. Een niet onbelangrijk deel, maar in veel opzichten niet (meer) het invloedrijkste deel. Er ligt nog veel democratiseringswerk voor de schaar.

Deze tekst is eerder gepubliceerd in Waterstof #68, november 2013


[1] De onbepaaldheid van de demos: Democratie als onvoorspelbare politieke praktijk. Waterstof 67, september 2013. Van der Veeken is in mei van dit jaar gepromoveerd op ‘Kritische filosofie en de democratische horizon’; zie de website van de Erasmus Universiteit Rotterdam

[2] De tabel is gebaseerd op Medard Gabel en Henry Brunen, Global Inc. An Atlas of the Multinational Corporation, New York (The New Press) 2003. In: Ton van Haperen (eindred.), Index, economie voor de tweede fase vwo, deel 6 Globalisering. Utrecht/Zutphen (ThiemeMeulenhoff) 2005

[3] “Nog even en je hebt niet langer landen met een financiële sector, maar een financiële sector met landen” uit: Joris Luyendijk, Het kan zo weer gebeuren, NRC 2 oktober 2013

[4] Het Prism-schandaal rond de afluisterpraktijken van de Amerikaanse inlichtingendienst NSA laat zien dat bijvoorbeeld ook de nationale belangen van de VS en de belangen van Amerikaanse bedrijven een gevaarlijk onduidelijk amalgaam vormen. Op grond van de onthullingen van Glenn Greenwald zou je de gevolgtrekking kunnen maken dat de nationale inlichtingendienst die in het landsbelang zou moeten opereren en daartoe vergaande bevoegdheden heeft gekregen, zich ook voor het karretje van particuliere bedrijven laat spannen.

[5] In: Na de Deadline. Journalistiek voorbij de crisis. Amsterdam (Fast Moving Targets) 2013, pag.147. Voor een discussie over zijn stelling ‘Journalistiek is een overheidszorg’ zie Brouwers weblog DodeBomen.nl

[6] Brouwers verwijst naar politicologe Debbie Appel, Journalisten zijn visie op hun taak kwijt. In: ED.nl 12 december 2012. “Appel laat zien dat dat het dilemma tussen winstoogmerk en kwaliteitsjournalistiek de media meer dwarszit dan ze zelf toegeven.” Brouwers op. cit. pag. 172

[7] Aan mijn motie ‘Begrijpelijke reactie op zienswijzen’ is recentelijk uitvoering gegeven blijkens een informatienota aan de raad van 3 oktober jl.

Reacties staat uit voor Zeggenschap en tegenmacht

Links van links

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on november 8, 2012

De PvdA formeert een regering met de VVD. Links met rechts, zegt de een. Twee middenpartijen, zegt de ander. GroenLinks kan zich beter GroenRechts noemen, zeggen mensen binnen en buiten die partij. Of moeten ze Groenen heten, zonder Links, zoals anderen bepleiten? En de SP heet nog de enige linkse partij te zijn, maar in die kringen wordt niet de Internationale gezongen; men vaart in het Europa-debat juist een nationalistische koers.
Wat is nu nog Links? Wat zou het kunnen zijn? Ik zal de contouren schetsen van wat in mijn ogen ‘echt links’ is. In navolging van Willem Schinkel noem ik dat ‘links van links’.

Ik verkies ‘links van links’ boven het etiket ‘mooi links’, naar het woord van Jan Pen (1921-2010). In zijn artikel ‘Mooi links in vijftig punten’[1] stelde Pen in 1968 voor dat om voor links door te gaan men zo’n 35 punten diende te onderschrijven van een lijst van 50. Zelf kwam hij uit op 49. De belangrijkste kenmerken van links vond hij: opkomen voor wie aan het kortste eind trekken; een gelijkmatige inkomensverdeling nastreven; een sterke collectieve sector inrichten ten behoeve van bijvoorbeeld goed onderwijs, een schoon milieu, cultuur­spreiding en ontwikkelingssamenwerking; proberen wat hij noemde “standsvervloeiing” tot stand te brengen (‘Links neemt aanstoot aan de standsmatige gelaagdheid van de maatschappij’) en mensen meer zeggenschap geven over hun dagelijkse bezigheden. Links is voor eerlijke handel en ontwikkelingshulp en probeert actief alle gesignaleerde misstanden uit de wereld te helpen.[2]

Verder noemt Pen als linkse punten progressieve belastingen, sociale woningbouw en milieubeleid; wantrouwen tegen reclame, prestatie- en concurrentiedrang; links is tegen discriminatie en voor emancipatie, tegen militarisme en nationalisme, maar juist voor internationale samenwerking en het opgeven van soevereiniteit; links is in zijn ogen democratisch, tolerant en humanistisch en speelt niet in op onderbuik­gevoelens. Pen heeft het over mooi links omdat er ook een lelijk links bestaat: ‘dat van de onverdraag­zamen, de schreeuwers, de rancunezaaiers, degenen die altijd menen dat ‘zij’ het gedaan hebben, de dirigisten die een ander willen voorschrijven wat er gedacht en gedaan en mooi gevonden moet worden (…)’.[3]

Het voordeel van de punten van Pen is dat ze linkse politiek lekker concreet maken. Het is ook opvallend dat veel van zijn punten nog steeds herkenbaar behoren tot de trekken van de linkse partijen in ons land. Maar net als Pen hebben deze partijen te veel ontzag voor de ‘randvoorwaarden die de actie beperken’. ‘Het groeiproces van de welvaart mag niet te veel worden geschaad, want zulke schade komt vooral neer op de hoofden van de zwakken.’ aldus Pen.[4] Dat is precies het type redenering van de huidige partijen die zich links noemen. Ze blijven netjes binnen de lijnen kleuren, of het nu rood is of groen. Mooi links is eigenlijk vooral ‘mooi weer-links’.

Alternatief

Het kernwoord voor echt links is in mijn visie: alternatief. Daarom kies ik ook voor de definitie van Willem Schinkel: ‘Links van links is een ruimte waar nog over werkelijke alternatieven gedacht kan worden.’[5] Samen met Schinkel vraag ik me af: ‘wat is er nog links aan de laffe omarming van de neoliberale economie die dagelijks spreekt uit de vermeende noodzaak politiek en democratie opzij te schuiven in de restauratie van markten die in de eerste plaats tot de huidige catastrofe aanleiding hebben gegeven?’[6] Het euvel van het huidige links, of het nu ideologische veren heeft of niet, is dat het de bestaande orde volledig accepteert en zich erbij lijkt neer te leggen dat er geen werkelijke alternatieven meer zijn. We hebben alleen nog maar ‘de keuze tussen het bestaande en hetzelfde. De verschillen bestaan uit een vleugje tolerantie hier en een procentje koopkracht daar.’[7] Schinkel pleit daar lijnrecht tegenin voor  ‘utopisch denken’: ‘Links staat voor revolutionaire in plaats van evolutionaire verandering’.[8] Ik zie er veel in om die ‘utopische horizon’ van Schinkel te verkennen en te zoeken naar een andere wereld dan de huidige maatschappelijke orde.

Over welke revolutionaire veranderingen hebben we het dan? Schinkel heeft vooral de aandacht getrokken met zijn voorstel voor een nieuwe Raad van State[9]. Wetenschap­pers en consumenten, mensen uit de kunstwereld en uit de georganiseerde religie, maar ook vertegenwoordigers van de Verenigde Naties, krijgen hierin de taak om belangrijke kwesties te agenderen die door de politiek worden genegeerd. Zo zou een tegenmacht worden gevormd tegen de macht van economische systemen en mediasystemen.[10] Maar daarbij houdt Schinkel zich enerzijds niet aan zijn eigen aankondiging dat hij geen alternatieven wil voorschrijven, ‘want dat is niet de taak van de intellectueel’[11]; anderzijds zijn zijn ‘analyses voor alternatieven’ vele malen interessanter. Mij hebben zijn beschouwingen in elk geval aangezet tot denken over echt linkse alternatieven (of ik mij daarmee nu diskwalificeer als ‘intellectueel’ of niet). Een drietal rake observaties van Willem Schinkel zal ik inkleuren met een paar eigen alternatieven. Hier komen ze.

Democratie

Om te beginnen kijken we naar het functioneren van onze democratie. Terecht beschouwt Schinkel populisme als een kritische prikkel om onze democratie te reanimeren. Zijn treffende metafoor ‘Museum Nederland’ geeft aan dat we geneigd zijn vooral de democratie te conserveren in de vorm waarin we haar in het verleden hebben gegoten. Maar democratie ‘vergt een permanente revolutie, indachtig de voormoderne betekenis van ‘revolutie’ als een cyclisch terugkerend proces.’[12]

Hierboven heb ik al kort Schinkels idee voor een alternatieve Raad van State genoemd. Dat is zijn alternatief – wat je er ook van vindt, in elk geval creatiever dan bijvoorbeeld Dick Pels, die ook pleit om ‘de rauwheid van de tegenstem’ van het populisme te benutten ten gunste van een beter functionerende democratie, maar dan komt met voorstellen uit de oude doos als referenda en zo.[13]

Zelf zou ik wat radicaler geschut gebruiken. Wij zijn na jaren van gezapige democratie gewoon lui geworden. We maken een keer in de zoveel jaar de gang naar de stembus en dan kunnen we weer jaren mokken over wat die domme politici allemaal verkeerd doen. Dat is toch geen ‘regeren door het volk’? Dat is gemakzucht van het volk. Onze democratie is zo langzamerhand wel een heel slap aftreksel van wat het in zijn klassieke bloeitijd ooit was. ‘Niet één oude Griek zou dit hebben beschouwd als iets wat met demokratia te maken heeft.’[14]

Echte zeggenschap voor het volk betekent dat mensen ook zelf de handen uit de mouwen moeten steken en ‘vuile handen’ maken. In de organisatie waar ze werken, in de buurt waar ze wonen, op de school waar hun kinderen zitten en in het tehuis waar hun ouders verblijven, meepraten en meebeslissen over de verdeling van de middelen die samen zijn opgebracht. Niet allemaal tegelijk natuurlijk. Net als in het klassieke Athene zouden we kunnen loten wie voor een jaar het (mede)bestuur van de wijk, de school of de organisatie vormen.[15] Het grote voordeel zal zijn dat iedereen geconfronteerd wordt met de dilemma’s van besturen. En net zoals mensen even mild oordelen als echte rechters als ze kennis hebben genomen van alle details in een strafzaak, zullen mensen net als politici soms fantastisch goede keuzes maken voor hun omgeving, maar soms ook blunders begaan; besturen is en blijft immers mensenwerk.

Overigens is duidelijk dat dit soort directe democratie alleen op kleine schaal op deze manier werkt. Toen de Romeinse republiek veel groter werd dan de stad Rome, hadden boeren van ver weg simpelweg geen mogelijkheid meer om te gaan stemmen: ze konden toch moeilijk hun land dagenlang achterlaten om zich van hun democratische taken te kwijten. Maar met internet zou het niet moeilijk moeten zijn vergelijkbare procedures te ontwikkelen voor de schaal van stad, land en Europa.

Het ‘ostrakisme’ (schervengericht) waarmee de Atheense stemgerechtigden zich tussentijds van een gekozen bestuurder konden ontdoen, zou bijvoorbeeld gemakkelijk via internet te realiseren zijn. Ook is het technisch uitvoerbaar om digitaal je stem uit te brengen over elk onderwerp waarover je je maar wilt laten horen. Burgers zijn tegenwoordig vaak – zeker op bepaalde onderwerpen – net zo goed geïnformeerd als ambtenaren, bestuurders en parlementariërs. Dus waarom zou je die kennis niet benutten als je als samenleving beslissingen voorbereidt en neemt?

Terug naar de lokale schaal. In de gemeente waar ik in de raad zit, Zwolle, wordt binnenkort een voorstel besproken om wijkbewoners invloed te geven op deel­budgetten.[16] Daarmee gaat een oude wens van mij, zij het op een wat andere manier, in vervulling.[17] Zo zijn we weer beland bij Jan Pens concrete punt ‘mensen meer zeggenschap geven over hun dagelijkse bezigheden’. Heel voorzichtig zetten we stapjes in die goede richting – naar links. Maar links van links is zeggen: het moet wezenlijk anders, het moet veel democratischer, op elke schaal: in buurt en bedrijf, in stad en land en niet te vergeten in Europa en de rest van de wereld.

Economie

‘Kapitalisme als religie: het credo van het krediet’ luidt de veelzeggende tussenkop in een hoofdstuk waarin Willem Schinkel bepleit de staat een doorslaggevende macht te bezorgen ten opzichte van marktpartijen en banken; een macht die ze onder meer moet benutten om de ‘groeifetisj’ te reguleren.[18] Terecht wijst hij op de schadelijke gevolgen van de groei die niet in rekening worden gebracht; daarover straks meer. Een vermeldenswaardige redenering van zijn hand is ook dat systeembanken die te groot zijn om ‘om te vallen’ feitelijk dus een publiek belang dienen. Voor zulke belangen hadden we nu juist de overheid in het leven geroepen. De staat, lees: de politiek moet die taak dus terugveroveren.

Ik wil er in dit verband op wijzen dat de metafoor van ‘de markt’ in de loop van de tijd uit de hand is gelopen. Waar het oorspronkelijk stond voor een functioneel economisch mechanisme – marktwerking is het meebewegen van prijzen op de golvende verhouding tussen vraag en aanbod – wordt het tegenwoordig vooral gebruikt als beschrijving van de ideale manier om alle problemen in de samenleving op te lossen, ook niet-economische vraagstukken. De beste oplossing is steeds de uitkomst van het vrije spel der krachten van particulier initiatief, ondernemerschap en ‘eigen verantwoordelijkheid’.[19] In die zin doet het kapitalisme utopische beloften, die in de praktijk bepaald niet altijd waargemaakt worden.

Ik zou daar in het verlengde van Schinkels redenering de utopie tegenover willen stellen dat de overheid ‘namens ons allemaal’ de functie van ultieme scheidsrechter in de samenleving uitoefent. De fundamentele vergissing die veel mensen tegenwoordig maken is dat ze de overheid als tegenstander zien – een vreselijke bron van misverstanden en aanhoudende ellende.[20]

En als we de redenering van de overheid ‘namens ons allemaal’ flink doortrekken, kom je eropuit dat de overheid alle grond beheert waarop wij, de desbetreffende burgers die deze overheid constitueren, ons bevinden. Want wat is het eigenlijk voor een absurd idee dat een mens een stukje van de planeet waarop wij leven in eigendom heeft? En daarop iets lelijks mag bouwen dat vervolgens jarenlang leeg de horizon staat te vervuilen, zodat andere mensen als op die plek een werkplaats, atelier, tuin of speelplaats was gekomen er niet veel nuttigere dingen kunnen doen, terwijl het oorspronkelijke doel, er nog meer geld mee verdienen dan al op de bankrekening stond, niet eens gehaald wordt. Dat vinden wij met zijn allen toch niet goed? Dat laten wij toch niet toe?

Dat bedoel ik nou met links van links. Dat gaat een stap verder dan een voorkeursrecht voor gemeenten op grondaankoop.[21] In ons lokale verkiezingsprogramma hebben we het idee opgenomen dat inwoners van de stad altijd en overal moeten betalen voor het parkeren van hun auto in de openbare ruimte. Die ruimte is namelijk van ons allemaal samen en als je die wilt gebruiken voor iets wat alleen jouw particuliere belang dient, dan moet je daar maar wat voor over hebben. Zo zet de overheid het marktmechanisme (veel vraag, schaarse ruimte) functioneel in op grond van een wezenlijk ander idee over bezit dan de ‘markt-denkers’ hanteren. Op links van links kan dat gewoon.

Ecologie

‘De samenleving kenmerkt zich door een enorme productie van goederen en diensten waarmee het welzijn nauwelijks is gediend (…)’. Het zou weer een citaat van Schinkel kunnen zijn (die wijst op verschillende plaatsen op de onhoudbaarheid van de huidige economische ‘groei om de groei’[22], maar deze keer neem ik mijn toevlucht tot een artikel van econoom en theoloog Ad Marijs[23]. Die laat namelijk heel mooi zien dat ‘de markt’ helemaal niet efficiënt werkt: hij wijst op het al lang bekende feit dat de aanschaf van goederen en diensten boven een bepaald niveau geen bijdrage meer levert aan de kwaliteit van het leven (vergelijk de piramide van Maslow). Toch worden die producten in overvloedige mate aangeboden en geconsumeerd. Onze consumptiemaatschappij leeft van een groei die op den duur niet ‘volhoudbaar’ is, om het fraaie Zuid-Afrikaanse equivalent te gebruiken.

Interessant aan zijn betoog is de invalshoek van de consumptie, die wij als consumenten immers kunnen beïnvloeden, en de relatie die hij aanbrengt met de menselijke waarden die in het geding zijn. Zijn conclusie na een analyse van de functie die feitelijk overbodige consumptie[24] heeft in onze samenleving (identiteit, positiebepaling e.d.), luidt ‘dat de kwaliteit van de menselijke ontplooiing door de consumptiegroei niet toeneemt maar afneemt. Ons welzijn is ‘gebaat bij een veel minder grote nadruk op materialis­tische waarden’.[25]

Ook deze redenering is er een links van links. Niet binnen het referentiekader van de consumptiemaatschappij duurzaamheid bepleiten, maar het kader zelf opblazen, zodat er mentale ruimte ontstaat voor een alternatief. In de woorden van Marijs: ‘een heel ander soort samenleving met een heel ander soort consumptief gedrag’[26] en ‘niet alleen veranderingen in levensstijlen maar in de hele sociale structuur’[27] Relativering en zelfs afwijzing van macht, imago en bezit kan heel ‘productief’ zijn.[28]

We zijn de laatste jaren getuige van veel initiatieven waarin ruilen in plaats komt van kopen, gebruiken in plaats van hebben en delen in plaats van verhandelen.[29] Dat zijn precies de alternatieven van het soort dat we nodig hebben. Alternatieven die aansluiten bij basale menselijke ervaringen in de natuurlijke omgang met andere mensen. We willen toch allemaal dat onze kinderen hun speelgoed delen met hun vriendjes, als ze er te groot voor geworden zijn geven we het aan iemand anders die het nog kan gebruiken en we leren ze om anderen naar vermogen te helpen waar dat nodig is. Maar als we als volwassenen iets voor iemand overhebben en die helpt ons in ruil daarvoor met wat anders, heet het ineens het grijze circuit. Links van links zal dit humane gedrag juist worden gewaardeerd. En utopie is waar iedereen zo met elkaar omgaat. Dat zou helemaal niet onbereikbaar moeten zijn.

Post scriptum

Als er één linkse partij is die zich in mijn ogen op links van links hoort te bevinden, dan is het wel GroenLinks, ideeënpartij. Alle anderen zijn er van harte welkom.

Dit artikel is in licht gewijzigde vorm ook verschenen in Waterstof nr 63.

[1] Jan Pen Mooi links in vijftig punten. In: Hollands Maandblad, november 1968; opgenomen in Dat stomme economenvolk met zijn heilige koeien. Utrecht/Antwerpen (Het Spectrum) 1976, online beschikbaar via

http://www.dbnl.org/tekst/pen_002dats01_01/pen_002dats01_01_0011.php

[2] idem, p51: “Ik stel voor dat iemand die tenminste een bepaald aantal van de onderstaande 50 punten kan onderschrijven, links genoemd wordt. Over dat minimumaantal kan men ook nog weer van mening verschillen; om de gedachten te bepalen: 35. Waaronder tenminste de nummers 1, 2, 7, 15, 24, 27, 43 en 50. Ik kom op 49.”

[3] idem, p61

[4] ibidem. Bij punt 12 schrijft hij: ‘Welzijn krijgt een linkse prioriteit boven welvaart. Toch kan links daarmee niet te ver gaan: groei blijft nodig om de arme mensen binnen de gemeenschap aan inkomen te helpen, om de collectieve sector zonder te veel conflicten te vergroten, en bovenal om de ontwikkelingshulp te kunnen verhogen.’

[5] opere citato, p20

[6] idem, p19

[7] idem, p21

[8] idem, p24

[9] idem, p178-192

[10] Voor recensies van zijn boek, zie bijvoorbeeld:

–         Pepijn Corduwener, Vlijmscherpe en geloofwaardige aanval op ‘Museum Nederland’

http://www.athenaeum.nl/recensies/willem-schinkel-nieuwe-democratie

–         Arjan Witte: Pure brandstof voor de betweters ter linker- en rechterzijde http://www.dagelijksestandaard.nl/2012/04/recensie-de-nieuwe-democratie-naar-andere-vormen-van-politiek-van-socioloog-willem-schinkel

–         Hubert Smeets: ‘Schinkel werpt zich op als ideoloog van een nieuw Nieuw Links’ in De politiek in Nederland: Laat het testosteron knallen

http://www.nrc.nl/boeken/2012/04/23/de-politiek-in-nederland-laat-het-testosteron-knallen/

–         Simon Otjes in De Helling online gaat helemáál alleen in op het voorstel voor een nieuwe Raad van State: Voor het behoud van de Raad van State
http://bureaudehelling.nl/artikel/de-helling-leest-voor-het-behoud-van-de-raad-van-state

[11] op. cit. p20

[12] op.cit. p158

[13] Dick Pels, Het volk bestaat niet. Amsterdam(De Bezige Bij), 2011, p216. http://www.debezigebij.nl/web/Boek-5/9789023453918_Het-volk-bestaat-niet.htm Voor een beschouwing van mijn hand naar aanleiding van Pels zie https://patrickpolitiek.wordpress.com/2011/09/14/het-volk-bestaat-wel/

[14] Peter Jones, Vote for Caesar. How the Ancient Greeks and Romans Solved the Problems of Today, 2008. Nederlandse vertaling/bewerking van Mario Molegraaf, Amsterdam (Bert Bakker) 2009, p124

[15] Democraten in het klassieke Griekenland vonden loten eerlijker dan verkiezingen. Zie mijn weblog Loten en klankborden: https://patrickpolitiek.wordpress.com/2010/05/11/loten-en-klankborden/

[16] Zie de beslisnota Doorontwikkeling wijkgericht werken van 10 september 2012: http://zwolle.notudoc.nl/cgi-bin/showdoc.cgi/action=view/id=428303/type=pdf/Beslisnota_doorontwikkeling_wijkgericht_werken.pdf De indienende wethouder zit namens de PvdA in het college.

[17] Vgl. de voorstellen voor Wijkwerk, die ik met de fractie van GroenLinks (toen nog in een samenwerkingsverband met de Zwolse Groenen) in 2008 deed: http://zwolle.groenlinks.nl/node/33269

[18] op.cit. p.296-317; de concrete voorstellen staan op 314-316

[19] Schinkel wijst er overigens terecht op dat deze mantra alleen opgaat voor burgers die precies datgene doen wat de overheid wil dat ze doen; vgl. op. cit. p79

[20] Vgl. mijn reactie op een klacht van een burger die de overheid als tegenstander zag: https://patrickpolitiek.wordpress.com/2010/12/15/de-overheid-als-tegenstander/

[21] Men herinnere zich de kwestie van de grondpolitiek waarover het kabinet Den Uyl in 1977 ten val kwam.

[22] vgl. op. cit. p18, p316

[23] Ad Marijs, Duurzame consumptie en Franciscaanse spiritualiteit. In: Duurzaamheid en economie. Liber amicorum voor dr. Egbert Dommerholt. Groningen (Noordhoff uitgevers) 2012, p. 72-116; citaat op p96

[24] een mooi voorbeeld dat hij geeft is parfum, dat gezien onze hygiënische levensomstandigheden niet meer functioneel is om onfrisse lichaamsgeur te camoufleren.

[25] op.cit. p102

[26] ibidem

[27] idem, p104

[28] Marijs, p115 wijst op de relatie tussen het waardenpatroon van het protestantisme (arbeidsethos) en het ontstaan van de middenklasse met een enorme arbeidsproductiviteit

[29] Zie voor een eerste indruk het artikeltje Van hebben naar gebruiken in: Ideaal, het blad van de ASNbank, online te raadplegen: http://ideaal04.asnbank-zine.nl/#/14/Spullen-delen

Andere politiek

Posted in gemeenteraad Zwolle by patrickpolitiek on mei 8, 2012

Het mooie van de gemeentepolitiek is dat je over de politieke scheidslijnen heen sterk het saamhorigheidsgevoel hebt dat je het allemaal ‘voor de stad’ doet. Maar soms is dat gevoel even helemaal weg. Dan blijkt er toch sprake te zijn van harde machtspolitiek. Vooral nu het om – het gebrek aan – geld gaat.

In Zwolle is het heel normaal dat als je als politieke partij een goed idee hebt, de andere partijen blij zijn voor de stad en je plannetje zo niet toejuichen dan in elk geval niets in de weg leggen. Zo worden regelmatig opbouwende moties, ook van de kant van de oppositie, raadsbreed of met overgrote raadssteun aangenomen.
Een mooi voorbeeld daarvan is de komst van nieuwerwetse waterpompen in onze stad, zoals meer lokale afdelingen het voor elkaar hebben gekregen hun gemeente warm te maken voor Join the Pipe (zie bijvoorbeeld het bericht in De Stentor, het bericht op de site van de gemeente Zwolle zelf of onze eigen website over de in gebruikneming van de eerste ‘pomp’ op Wereldwaterdag). Binnenkort start de kleinschalige en niet-commerciële culturele markt ‘Kunst op zondag’ naar aanleiding van een motie van de Zwolse D66-fractie. Zelf heb ik als oppositioneel raadslid een tijd geleden aandacht gevraagd voor een vergeten ‘rotte kies’ in de stad, waar al meer dan twintig jaar het karkas van een afgebrande school staat en een gifveld braak ligt (zie het bericht op onze site van 28 september 2010). Een PvdA- en een VVD-wethouder zijn er collegiaal mee aan de slag gegaan en recentelijk zit er weer schot in de zaak door het principe van gecombineerde ontwikkeling toe te passen (zie het bericht op www.diezerpoorter.nl).
Van zulke ‘collegialiteit’ word ik als raadslid gelukkig. Op zulke momenten wordt manifest dat politici er niet ter meerdere eer en glorie van zichzelf zijn, maar ten dienste staan van de stad.

Spelletjes
Helaas is het niet altijd rozengeur en maneschijn in politiek Zwolle. Geld haalt het slechtste in mensen boven, ook in politici. Nu het om miljoenen aan bezuinigingen op de gemeentelijke begroting gaat, lijkt alle collegialiteit verdwenen. Dat werd vorig jaar al zichtbaar bij de behandeling van ons alternatief bezuinigingsplan. Nadat we eerder al een ‘financiële bijsluiter’ bij ons verkiezingsprogramma hadden gemaakt waarin we in grote lijnen duidelijk maakten op welke gebieden wij willen investeren en waarop we willen bezuinigen, hadden we ter voorbereiding op de bespreking van de gemeentelijke bezuinigingsplannen vorige zomer een compleet alternatief bezuinigingsvoorstel gelanceerd onder de titel ‘Bezuinigen en de stad sparen‘. Slechts een enkele fractievoorzitter verwaardigde zich er een woordje aan vuil te maken, in een enkel geval kon er nog een complimentje van af voor de genomen moeite, maar een inhoudelijke bespreking van onze voorstellen zat er absoluut niet in. En er moest een motie aan te pas komen om te verzekeren dat bij een nieuwe ronde bezuinigingen onze voorstellen en mogelijke alternatieven uit andere hoeken ‘meegenomen’ zouden worden. Dat werd ons dan wel nog gegund, zo leek het.
Dit jaar spreken we begin juni over die nieuwe ronde bezuinigingen. De collegevoorstellen zijn inmiddels gepubliceerd. Om op alles gedegen te zijn voorbereid hebben we als fractie onder aanvoering van een externe financieel deskundige in maart een notitie opgesteld waarin we nog een open eindje uit ons alternatief voor een miljoen aan ‘financieel-technische maatregelen’ hebben uitgewerkt. Een eerste blik op de meerjarenbegroting die we afgelopen week hebben gekregen, liep op een teleurstelling uit. In een begeleidende nota wordt dit keer weliswaar expliciet uitgelegd waarom men niet ingaat op onze financieel technische voorstellen, maar dat betreft slechts een tiende van ons bezuinigingsplan. En men wil vooral niet tornen aan de financiële uitgangspunten (zoals de rentepercentages) waarmee men zich willens en wetens rijk rekent, terwijl de miljoenenmeevallers over het jaar 2011 voor een flink deel te vinden zijn in de ‘financieel-technische’ hoek van de jaarrekening. Zo creëert een coalitie alvast de meevallers van volgend jaar. Leuk zo tegen de volgende verkiezingen aan!

Dat is nou net van het soort politieke spelletjes waar ik niet zo goed tegen kan. Als onze voorstellen in een inhoudelijk debat het onderspit delven tegen andere plannen – ik heb er vrede mee. Zo gaat dat nu eenmaal in het demokratisch besluitvormingsproces. Ik geloof er hartstochtelijk in dat je juist door de verschillende belangen, verschillende visies en verschillende standpunten in de politieke arena tegenover elkaar te stellen, er uiteindelijk het beste voor de héle gemeenschap uit haalt. Maar dat vereist wel dat alle deelnemers met open vizier strijden, open staan voor elkaars standpunten, die met argumenten proberen te weerleggen en de waarde inzien van alternatieve politieke ideeën en plannen. Het is eigenlijk veelzeggend dat ik om die houding te kenschetsen kies voor de titel ‘andere politiek’. Zo zou ‘de’ politiek toch eigenlijk moeten zijn?

Nee, ik geloof niet dat er ook in Zwolle zoiets als een wandelgangenakkoord van komt…

Links – Rechts

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on februari 26, 2012

Rechts is hoe het nu eenmaal gaat, links is hoe het zou moeten zijn.

Deze oneliner had ik al eens genoteerd om een column mee te beginnen. Aanleiding om deze zin nu op kop te zetten is mijn lectuur van Rutger Claassens ‘politieke filosofie van vandaag’ onder de titel Het huis van de vrijheid. Claassen probeert met behulp van een ‘rijker vrijheidsbegrip’ de tegenstelling tussen rechts en links de overbruggen. In onderstaande passage omschrijft hij die tegenstelling.

“De natuur heeft de een met veel talenten bedeeld en de ander met weinig. De civiele en politieke rechten compenseren dit deels, doordat zij aan iedereen, sterk of zwak, talentvol of talentloos, in gelijke mate toekomen. Toch zullen mensen ongelijk tevoorschijn komen uit de economisch ratrace. (…) Zijn deze ongelijke uitkomsten onrechtvaardig? In hoeverre moeten we in naam van morele gelijkwaardigheid natuurlijke ongelijkheden compenseren? (…) Kan iemand die (zeer) economisch ongelijk is aan anderen, nog wel autonoom handelen in de samenleving die hij met die anderen vormt? Links beantwoordt die vraag meestal ontkennend en rechts bevestigend. Daardoor is links vaak voorstander van (meer) economische gelijkheid dan uit het spontane economische proces voortkomt en rechts voorstander van het accepteren van dat spontane proces.”

Zie je, die openingszin van mij is in al zijn boudheid best een adequate samenvatting van de tegenstelling.

Claassen beredeneert vervolgens dat links en rechts zich allebei beroepen op ‘het ideaal van de vrije mens, begrepen als de autonome mens’ en dat ‘het conflict gaat over de vraag wat de gemeenschap moet doen voordat we kunnen zeggen dat individuen echt autonoom zijn en verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun daden.’ Het gedeelde ‘autonomie-ideaal’ is de bouwtekening waarmee Claassen zijn ‘huis van de vrijheid’ bouwt, waarin links en rechts goed samen door een deur kunnen.

Als ik er aan toekom om nog eens een complete recensie van dit boek te componeren – dat overigens vol staat met interessante redeneringen over paternalisme en verheffing, groei en duurzaamheid en identiteit en integratie -, zal ik ingaan op de vraag waarom je in vredesnaam ten tijde van een rechts kabinet dat de tegenstelling met links extreem op de spits drijft, zou proberen de kloof tussen links en rechts te overbruggen. Ook is het verleidelijk hier al te noteren dat de hele notie van de autonome mens na het lezen van Wij zijn ons brein van Dick Swaab helemaal nergens op lijkt te slaan. En dan laat ik het meteen ook maar uit mijn hoofd om Claassens keuze voor vrijheid als enige van de trits liberté égalité fraternité beredeneerd af te wijzen als een evident rechts uitgangspunt.

Gesterkt door mijn constatering dat de samenvatting Rechts is hoe het nu eenmaal gaat, links is hoe het zou moeten zijn filosofisch hout blijkt te snijden, durf ik het wel aan om de tegenstelling nog wat verder uit te werken. En wel in de vorm van nog een paar ‘antifonen’. Het zou aardig zijn van de lezers als zij bereid zijn her en der de filosofische of politicologische onderbouwingen van de navolgende duozinnen zelf op te sporen.

Rechts is hoe het nu eenmaal gaat Links is hoe het zou moeten zijn
Rechts is ieder voor zich Links is samen
Rechts is keihard ingrijpen Links is voorkomen beter dan genezen
Rechts is niet goed wijs Links is eigenwijs
Rechts is koekje van eigen deeg Links is lieverkoekjes
Rechts is bezuinigen Links is zuinig aan doen
Rechts is de baas zijn Links is erover praten
Rechts is bezitten Links is kraken
Rechts is Maxima Links is minima
Rechts is bonus Links is uitkering
Rechts is geen kunst aan Links is cultuur
Rechts is 130 Links is minder dan de helft
Rechts is dereguleren Links is overtreden (gedogen is tegenwoordig rechts)

Overigens: om vooruit te komen heb je zowel je linker als je rechter been nodig…

Tagged with: , , ,

Thorbeckedebat brengt me ver af van Thorbecke

Posted in gemeenteraad Zwolle, landelijke politiek by patrickpolitiek on december 5, 2011

Johan Rudolph Thorbecke, de grondlegger van de parlementaire democratie in Nederland, werd op 14 januari 1798 geboren in Zwolle. Daarom bestaat er in onze stad een Stichting Thorbecke Zwolle, die jaarlijks een Thorbeckedebat organiseert. Deze debatten worden georganiseerd om burgers en overheid dichter bij elkaar te brengen en de kwaliteit van het openbaar bestuur te vergroten. Dit jaar ging het debat over het bestaansrecht van ons huidige politieke bestel. Het selecte gezelschap Zwollenaren dat bijeen was gekomen in de raadszaal, kreeg twee korte betogen voorgeschoteld van prof. dr. Rudy Andeweg, hoogleraar Emperische Politicologie aan de Universiteit van Leiden en van prof. dr. Gabriël van den Brink, hoogleraar Maatschappelijke Bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg, waarna men ‘in debat’ ging (lees: vragen mocht stellen aan de inleiders) onder leiding van dr. Jan Drentje, historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen, bestuurslid van de organiserende stichting en Thorbecke-kenner.

De discussie laait steeds weer op

De hoofdvraag was dus of ons politieke bestel, dat werd ontworpen in de negentiende en vroeg twintigste eeuw, nog wel bij de samenleving van vandaag de dag en bij de huidige politieke situatie past. Voor een korte samenvatting van de discussie vorige maand in Zwolle kunnen we net zo goed een artikel in de NRC uit 2004 (!) aanhalen over een voorstel van D66-minister De Graaf van en voor Bestuurlijke Vernieuwing.
Toen zei Andeweg ook al: ‘,,Politici zijn bang voor de kloof”, maar ,,die is er gewoon niet”. In Zwolle liet hij dat aan de hand van een veelheid aan cijfers uit de recente doorlichting van onze democratie door vijftig wetenschappers nog eens zien. Ook de opvattingen van zijn opponent laten zich prima weergeven met de woorden uit 2004. ‘Volgens de socioloog Gabriël van den Brink is de kloof er wel (…) Hij ziet als ‘het ,,fundamentele probleem”, dat er een aparte politieke klasse is die in een andere belevingswereld verkeert dan de burgers. (…) Een ander kiesstelsel is daarom ,,een marginale verandering”, zolang de informatiestromen waarop besluiten worden gebaseerd niet veranderen, meent Van den Brink. Daarvoor moet [je] niet alleen het kiesstelsel [veranderen], maar ook burgers op een andere manier directe invloed geven.’

Structuur versus cultuur

Andeweg stelt dus structurele veranderingen in het systeem voor; Van den Brink ziet meer in een verandering van de politieke cultuur.
Andeweg vindt het bestaande bestel te veel gericht op afspiegeling en consensus. Dat was handig in de tijd van de verzuiling, maar past niet meer bij de huidige individualisering. Kiezers willen in toenemende mate invloed op de regeringsvorming. Dat vergt aanpassingen aan het systeem.
Van den Brinks analyse draait om de geloofwaardigheid van politici, die steevast meer beloven dan ze kunnen waarmaken. Hij pleit voor een scheiding tussen bestuur en politiek en voor meer ideologie, dat is meer strijd en in zijn ogen ook meer amusement in de politiek. Verder wijst hij er op dat burgerschap in Nederland weinig om het lijf heeft. Je mag stemmen, maar er is geen opkomstplicht, en je hoeft ‘tussendoor’ nooit een burgerplicht te vervullen in de vorm van militaire dienst of deelname aan een jury(rechtspraak).

Onnodige tegenstelling

Hoewel de beide hoogleraren nadrukkelijk als opponenten werden gepresenteerd bij het debat, is het uit bovenstaande samenvatting hopelijk evident dat er ook een flink raakvlak tussen beider betogen te construeren valt. Zelfs op de tegenstelling tussen structuur en cultuur valt veel af te dingen. Als de houding van politici zou veranderen, zouden waarschijnlijk al snel de staatsrechtelijke hervormingen worden doorgevoerd waarover al decennia wordt gepraat, maar die steeds stuiten op een blokkade van de zittende macht. En invoering van vormen van meer directe invloed van burgers op de politiek leidt nogal wiedes tot verandering van het gedrag van politici.
Maar ook inhoudelijk bevatten beider analyses en de voorgestelde ingrepen waardevolle elementen.

In mijn ogen is het inderdaad niet meer van deze tijd dat je eens in de vier jaar je stem uitbrengt en dat de politici die jou vertegenwoordigen vervolgens vier jaar lang ‘ongestoord’ hun gang kunnen gaan. Dat is geen ‘demokratie’, maar een ‘electorale oligarchie’ zoals Peter Jones in zijn Vote for Caesar het snedig noemt. ‘Niet één oude Griek zou dit hebben beschouwd als iets wat met demokratia te maken heeft.’

Bij de tijd brengen

Het gaat er in een demokratie in de kern om dat de burgers de macht hebben. De omstandigheden en de fysieke en technische mogelijkheden bepalen vervolgens goeddeels de praktische inrichting van het systeem om dat te organiseren. In de oorspronkelijke directe demokratie in Athene was de betrokkenheid van de burgers maximaal en voortdurend. Dat kon ook op die schaal. Maar bijvoorbeeld in de Romeinse republiek was het al gauw fysiek niet meer mogelijk om iedereen daadwerkelijk direct bij de beslissingen te betrekken. Je kon het je als boer in de provincie natuurlijk helemaal niet veroorloven om dagen van huis te gaan om een volksvergadering in het verre Rome bij te wonen. Het vertegenwoordigende systeem was een prima oplossing voor dit probleem, dat zich ook weer voordeed in de tijd dat ons bestel werd ingericht.

Met alle moderne media en communicatiemiddelen is het in onze 21ste-eeuwse variant van demokratie volgens mij wel denkbaar dat de betrokkenheid van de gemiddeld goed geïnformeerde burgers weer veel directer wordt. Het ‘ostrakisme’ (schervengericht) waarmee de Atheense stemgerechtigden zich tussentijds van een gekozen bestuurder konden ontdoen, zou bijvoorbeeld gemakkelijk via internet te realiseren zijn. Ook is het technisch uitvoerbaar om digitaal je stem uit te brengen over elk onderwerp waarover je je maar wilt laten horen. Burgers zijn tegenwoordig vaak – zeker op bepaalde onderwerpen – net zo goed geïnformeerd als ambtenaren, bestuurders en parlementariërs. Dus waarom zou je die kennis niet benutten als je als samenleving beslissingen voorbereidt en neemt?
Ik zeg niet dat de we alle technische mogelijkheden die we hebben per se moeten inschakelen. Ik vind wel dat we ons systeem niet langer moeten laten begrenzen door de beperkte mogelijkheden uit het verleden.

Betrokkenheid

Dergelijke structurele aanpassingen geven burgers niet alleen meer directe invloed, maar vragen ook veel meer directe betrokkenheid van hen. Een betrokkenheid die politici en bestuurders scherp zal houden. Want Van den Brink heeft van zijn kant natuurlijk volkomen gelijk met zijn analyse dat de representatieve demokratie (in de landelijke politiek) een nieuw ‘regentendom’ heeft voortgebracht, een politieke klasse met eigen mores en een eigen cultuurtje, die alleen al daardoor moeite heeft om nog goed over te komen bij het publiek van kiezers. En de polarisatie van de afgelopen jaren in de landelijke politiek bewijst wel zijn stelling dat als het ideologisch gehalte van het debat en de public performance van politici toeneemt, politiek veel meer gaat leven onder de burgers.

En Thorbecke?

Terugkijkend op het Thorbeckedebat van dit jaar constateer ik dat het me flink aan het denken heeft gezet ‘om burgers en overheid dichter bij elkaar te brengen’. Maar waar Thorbecke vooral moeite deed om de macht van de koning te beperken ten faveure van de aristocratie uit zijn dagen, daar gaat het nu om een overheveling van de macht van de oligarchen naar de eigenlijke dèmos. Bovendien betwijfel ik stellig of Thorbecke iets zou begrijpen van de oplossingen die ik voorsta, laat staan dat hij er begrip voor zou kunnen opbrengen. Zo bezien heeft het Thorbeckedebat ertoe geleid dat ik ver van Thorbecke ben ‘afgedwaald’.

Het volk bestaat wel

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on september 14, 2011

‘Het volk bestaat niet’ – onder die titel geeft Dick Pels zijn analyse van het fenomeen populisme en zet hij zijn oplossing voor het probleem uiteen: vernieuwing van de demokratie. Hoewel ik zijn analyse van de kwaal wel overtuigend vind, kan ik hem wat zijn optimistische recept betreft alleen maar helpen hopen. In de klassieke oudheid hebben denkers ervoor gewaarschuwd dat demokratie de neiging heeft uit te lopen op een dictatuur. Ik ben bang dat we tegenwoordig de eerste symptomen meemaken van een nieuwe roep om een ‘sterke man’.

Nationalisme als uitlaatklep van frustratie
Maar eerst maar eens de analyse van Pels. Die bevat vele rake observaties en denklijnen. Zo wijst hij terecht op de kloof tussen winnaars en verliezers in ‘een samenleving waarin ieder voor zich moet concurreren, presteren en slagen.’ De verliezers zitten met een enorme frustratie en een laag zelfrespect. Nationalisme is een ‘eenvoudige manier om dit gevoel van vernedering om te zetten in trots’, omdat het immers niet afhankelijk is van iemands eigen prestaties. We hebben dus te maken met een ‘bijproduct van de diploma-demokratie’ (term van Mark Bovens). Een blijvertje, als dat waar is, en geen verschijnsel dat vanzelf wel overwaait.

Het volk bestaat niet
Een andere vaststelling waar Pels groot gelijk mee heeft is dat de zogenoemde volkswil door de ‘handige marketinginspanning’ van de populisten wordt gecreëerd en vormgegeven. Door het onbehagen – dat er wel degelijk is, overigens – te benoemen en uit te vergroten en te exploiteren voor zijn eigen politieke doeleinden, produceert de populist uit bepaalde geluiden en opvattingen een wil van ‘het volk’. ‘Het volk van de populisten bestaat dus niet zonder de populisten zelf.’ In die zin klopt de titel van Pels’ boek volkomen. Het volk bestaat alleen omdat een zelfbenoemde woordvoerder zegt dat het er is.

Wisselwerkingdemokratie
Ik zal hier niet het hele boek parafraseren, al is de verleiding groot. (Hieronder geef ik een paar hyperlinks naar recensies voor wie meer wil weten alvorens het boek zelf te gaan lezen. Maar dat moet je gewoon doen eigenlijk. Laat je niet afschrikken door Vullings lelijke woorden aan het begin van zijn recensie. Je wordt er vast wijzer van. Of het zet je althans aan het denken.)
De kern van Pels’ betoog begint bij een sublieme observatie van Machiavelli: je moet een vorst zijn om de aard van het volk helemaal te begrijpen en je moet een gewoon burger zijn om de natuur van vorsten volledig te snappen. Of, abstracter gezegd: alle politiek is standpuntgebonden. Daarom is er wisselwerking nodig in de politiek en daarom is er ook een wisselwerkingdemokratie nodig. Het volk heeft een politieke elite nodig om de boel te leiden. En die politieke elite heeft de correctie van het populisme nodig om binding te houden met het volk en om te voorkomen dat ‘zij verandert in een regentesk establishment’. Kort door de bocht samengevat is dit het argument waarmee Pels zijn oplossing onderbouwt: meer directe invloed van ‘het volk’ als correctie op de politieke elite die anders te veel zijn eigen gang gaat.
(Tussen twee haakjes: het volk bestaat dus – ook in het denken van Pels, al noemt hij het niet zo – wel als ‘gewone burgers die niet tot de politieke elite behoren’.)

Media en personen
ik hoef er waarschijnlijk niet zo veel woorden als Pels gebruikt aan te wijden, om duidelijk te maken dat een voldoende wisselwerking in de demokratie des te noodzakelijker is in het mediatijdperk en – daarmee samenhangend – een personendemokratie. Net als populisten een volk creëren dat er in werkelijkheid niet in die vorm is (niet iedereen vindt precies hetzelfde als de denkbeeldige Henk & Ingrid), zo scheppen de media een schijnrealiteit, terwijl ze suggereren ‘alleen maar’ te registreren (maar zonder de vraag van de journalist zou de politicus – denk aan Pim Fortuin – zijn uitspraak nooit hebben gedaan).

Utopie
Pels is dus in feite optimistisch over de rol van het populisme in de samenleving. Hij ziet kans ‘de rauwheid van de tegenstem’ te benutten ten gunste van een beter functionerende demokratie. Aldus schildert hij een ‘voldragen wisselwerkingdemokratie’ waarin een zelfbewuste elite met een vrijzinnige houding die zichzelf durft te relativeren, populisten tegenover zich vindt die een ‘anarchistisch en anti-establishment sentiment’ uitdragen en waarin een anti-elitair ‘nee’ in een referendum een legitieme plaats heeft in het politieke bestel.

Het is te mooi om waar te zijn. Hier bedenkt de socioloog een utopie. Ik wou dat het waar was.

Misschien ben ik te pessimistisch, maar ik moet steeds denken aan de theorie van de cyclus van regeringsvormen die in de klassieke oudheid is geconstrueerd en waarin de demokratie uiteindelijk uitmondt in een dictatuur. De geschiedschrijver Polybius (tweede eeuw voor onze jaartelling) muntte er de term anakyklosis voor, lastig te vertalen, maar het is iets als een ‘regressieve kringloop’, een ‘negatieve spiraal’ of (te) simpel gezegd ‘terug naar af’. In het kort komt het idee hierop neer dat elke ideaaltypische staatsvorm, de monarchie, de aristokratie en de demokratie, uiteindelijk altijd zal ontaarden in een negatieve variant ervan. De alleenheerser wordt op den duur tyranniek, de elite regentesk en de brave burgers ontaarden in een verwende massa die als ze haar zin niet krijgt agressief wordt. Het eind van het liedje is dat er een leider opstaat die het volk in goede banen leidt en zich allengs ontpopt tot een alleenheerser, terug bij af.
We vinden dit idee in rudimentaire vorm ook bij Herodotos (vijfde eeuw voor onze jaartelling) waar een discussie over de beste regeringsvorm wordt afgerond met de conclusie dat de monarchie de andere vormen overtreft. Een argument daarvoor is dat in een demokratie om de criminaliteit die nu eenmaal ontstaat te bestrijden, uiteindelijk ook een sterke man als enige oplossing wordt gezien.

Natuurwet?
Het is niet moeilijk om de parallellen te zien met de ontwikkelingen die leidden tot de komst van een Napoleon, een Hitler of recenter een Berlusconi en bij ons Geert Wilders. Maar zijn zulke ontwikkelingen onontkoombaar? Polybius spreekt van een ‘normale kringloop van constitutionele omwentelingen en de wijze waarop regeringsvormen nu eenmaal van nature veranderen en terugkeren tot hun oorspronkelijke stadium’.
Aristoteles (vierde eeuw voor onze jaartelling) daarentegen heeft meer oog voor specifieke omstandigheden van de ene of de andere staat. Het is in zijn ogen geen automatisme dat het ene regime ontaardt in het andere. Dat laat ruimte voor oplossingen zoals Dick Pels die bepleit.

Hoop
En zowel Polybius als in zijn kielzog Cicero (eerste eeuw voor onze jaartelling) ziet heil in een ‘gemengde constitutie’ waarin monarchale, aristokratische en demokratische elementen elkaar in balans houden. Hun bewijs is de Romeinse republiek. Onze parlementaire demokratie heeft daar veel van weg: een Koning, een elite in het parlement en verkiezingen waarin het volk zijn voorkeur uitspreekt. Dat aan deze constitutie het een en ander te verbeteren valt is duidelijk. Of de suggesties die Pels aandraagt het afglijden naar de dictatuur van de grote bek kunnen voorkomen, valt te bezien.

Deze zomer hebben Koen van Bremen, Albert jan Kruiter, Eelke Blokker en Harry Kruiter de website http://publiekewaarden.nl gelanceerd. Kruiter schreef al in 2009: ‘De crisis is niet economisch maar democratisch van aard.’ Ik kijk uit naar de resultaten die hun aanpak van het actie-onderzoek opbrengt. Dat levert vast stof op voor een volgende column.

 

Bronnen:

Dick Pels, Het volk bestaat niet. De Bezige Bij, ISBN 9789023453918. http://www.debezigebij.nl/web/Boek-5/9789023453918_Het-volk-bestaat-niet.htm

Recensies van Het volk bestaat niet:
• Vrij Nederland (Jeroen Vullings): http://www.vn.nl/boeken/non-fictie/het-volk-bestaat-niet-leiderschap-en-populisme-in-de-mediademocratie-dick-pels/
• de Volkskrant (Hans Wansink): http://www.volkskrant.nl/wca_item/boeken_detail/453/178086/Het-volk-bestaat-niet.html
• GroenLinks Magazine, mei 2011, pagina 20 (Simon Otjes): http://magazine.groenlinks.nl/node/67471.
Ook bereikbaar via het artikel ‘Vloeken in de linkse kerk: populisme nodig’: http://magazine.groenlinks.nl/personendemocratie

De cyclus der staatsvormen
ik ben grote dank verschuldigd aan mijn voormalige collega-docent klassieken Ludwich Verberne die mij geweldig heeft geholpen door de bronnen van het denken over staatsvormen in de oudheid op een rijtje te zetten, waar ik het anders had moeten doen met wat van mijn lectuur in de lang geleden tijd in mijn gebrekkige geheugen was blijven hangen. Van het gedegen overzicht dat hij mij stuurde noem ik voor de geïnteresseerde leek hier alleen:

• Herodotus, Historiën 3.80-83
• Aristoteles, Politiek, 3.6-8 en 5.8-9
• Polybius, Wereldgeschiedenis 6.3-6.9
• Cicero, De staat 1.14-70

Polybius’ tekst is in Engelse vertaling op internet te vinden via de klassieke bronnenverzameling Perseus. Er is een Nederlandse vertaling met de titel Wereldgeschiedenis 264-145 v.Chr., van de hand van Wolther Kassies, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep 2007

Voor meer informatie over de genoemde schrijvers en vertalingen van hun werk, zie Oudheid.nl onder Literatuur.