Patrick Politiek

Terugblik: meer democratie, minder (partij)politiek

Posted in gemeenteraad Zwolle by patrickpolitiek on juli 9, 2018

Op de elfde plek op lijst 3 begon ik in 2006 aan mijn politieke loopbaan in Zwolle, in 2010 stond ik op plek 3 van lijst 11 [1], dit voorjaar nam ik als fractievoorzitter afscheid van gemeenteraad, fractie- en lokale partijgenoten.
Van een boekenplank die elk half jaar vol raakte met raadsbundels, naar iBabs, een iPad en een Dropbox met zo’n tienduizend bestanden, verdeeld over bijna 600 mappen (ik ben een georganiseerd mens).
Duizenden tweets met #zgr onder ogen gehad. [2]
Vijf partijlogo’s verder.
Heel veel wijzer geworden; vind ik zelf.
Ter afsluiting van dit blog een terugblik op acht jaar vol gedachten over politiek en twaalf jaar politieke gedachten, tot uitdrukking gebracht in woorden in de raadszaal en in gesprekken met stadgenoten.

Idealistisch zwaartepunt

Ben je twaalf jaar actief geweest voor een politieke partij, zet je in de titel van je afzwaai-blog ‘minder (partij)politiek’!?
Dat heeft niets te maken met een afname van idealisme, al is de ‘groene gedachte’ tegenwoordig gemeengoed geworden, in theorie althans (zie de recente strubbelingen rond het klimaatakkoord). Dat heeft ook niet te maken met een verminderde waardering voor het figuurlijk, en daarmee gelukkig dus niet letterlijk, ‘uitvechten’ van belangentegenstellingen. Het heeft alles te maken met een verschuiving van mijn idealistisch zwaartepunt naar een daadwerkelijke inbreng van inwoners op wat er in en met hun leefomgeving gebeurt. Vandaar die verwijzing naar het rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur ‘Democratie is méér dan politiek alleen’. [3]

Je ziet die ontwikkeling weerspiegeld in de titels van mijn blogs. Ging het in 2010 eerst over de wisseling van coalitiepartner naar oppositiepartij – na acht jaar zit GroenLinks nu gelukkig weer in het stadsbestuur – en over dingen die in de Zwolse raad speelden (soms ook over de ‘politieke spelletjes’ in de Zwolse raad trouwens), over ‘Links van links’ en over ‘het milieu van mijn dochter’; de gedachten over het functioneren van de lokale democratie die van meet af aan op het net verschenen (‘Loten en klankborden’, ‘De overheid als tegenstander’ en ‘Thorbecke 2.0’ bijvoorbeeld), gingen in de loop van de tijd de hoofdmoot vormen: ‘De noodzaak méér mensen méér mee te nemen bij de inrichting van de samenleving’, ‘Het raadslid van de toekomst: ideeënmakelaar, spelverdeler en volkstribuun?’ en zelfs een ‘Deltaplan voor de democratie’ – om een paar veelzeggende titels van mezelf te citeren.
Je ziet het ook aan mijn cv. De laatste raadstermijn ben ik meer en meer actief geworden voor ProDemos, Huis voor Democratie en Rechtsstaat, om jong en oud de spelregels van de democratie te leren, en vooral hoe je als (jonge) burger zelf invloed kan uitoefenen op de besluiten die worden genomen. En als raadslid trok ik niet alleen meer en meer de stad in, maar ook door het land, in het Netwerk Lokale Democratie, voor bijeenkomsten in het kader van de Democratic Challenge en het actuele project Democratie in Actie. Ik droeg actief bij aan activiteiten op de Dag van de Democratie, sprak in de raadszaal mijn zorgen uit over de toenemende polarisatie in de samenleving ‘die de democratische proporties te buiten dreigt te gaan’ [4] en beëindigde mijn raadswerk met een unaniem aangenomen motie om het antidiscriminatiebeginsel van Grondwetartikel 1 zichtbaar te maken voor iedereen die ‘bij de gemeente’ komt.

Democratie van de burgers

Bij mijn afscheid kreeg ik van de fractie dan ook logischerwijs een boek over de werking van onze democratie. Waarschijnlijk viel ze voor de titel ‘Overspannen democratie’ en leek haar die wel toepasselijk voor me na al die hartenkreten. 😉 Maar het zal de lezer van mijn blogs duidelijk zijn dat ik het helemaal niet eens ben met de diagnose van Van Oenen dat we de burger overvragen, dat er een teveel aan democratie is. Ik ga mijn standpunten hier niet herhalen, scroll en klik daarvoor maar zelf verder op deze pagina’s, maar ik constateer nog altijd een tekort aan werkelijke democratie. Ik zie op veel plekken een zorgwekkend gebrek aan invloed van mensen op de inrichting van en veranderingen in hun directe leefomgeving en in de gemeente, provincie, ons land en Europa. Het ontbreekt ons – zeker vergeleken met de invloed van bepaalde bedrijven en organisaties op het beleid – aan echte maatschappelijke zeggenschap. Ik zie dan ook meer in de omschrijving van Voermans en Waling in ‘Gemeenten in de genen’ dat we af moeten van de servicegerichte ‘gemeente vóór’ de inwoners, mensen die gereduceerd zijn tot louter consumenten, en dat we behoefte hebben aan een terugkeer naar de democratische grondvorm van de ‘gemeente ván’ de burgers, die zich trotse ‘eigenaren’ voelen van het lokale bestuur.

Punt

Ik zet dus een punt achter dit blog. Patrick is niet meer ‘politiek’. Patrick is democraat in hart en nieren en gaat dan ook uit volle overtuiging zijn loopbaan vervolgen bij een griffie, om ‘werk te maken’ van een levendige lokale democratie.


[1] In 2006 GroenLinks/De Groenen, in grootte de derde partij van de raad; in 2010 GroenLinks als zelfstandige lijst, dus na loting om het lijstnummer
[2] De hashtag staat voor: Zwolse gemeenteraad, waar veel (onderling) wordt getwitterd
[3] https://www.raadopenbaarbestuur.nl/publicaties/d/democratie-algemeen/documenten/publicaties/2017/06/28/democratie-is-meer-dan-politiek-alleen (juni 2017) ‘Meer democratie minder politiek’ is overigens de titel van een onderzoek van het SCP uit 2015: https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2015/Meer_democratie_minder_politiek
[4] https://zwolle.groenlinks.nl/nieuws/hartenkreet-aan-het-begin-algemene-politieke-beschouwing (juli 2016)

 

Advertenties
Tagged with:

Burgerschapsinkomen

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on juli 27, 2017

Onlangs publiceerde de directeur van de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland het pleidooi Geef mensen die meedoen een participatie-inkomen. Frank Bluiminck wil mensen met een beperking ondersteunen, ook met een inkomen, om mee te kunnen draaien in de samenleving.
Vorig jaar gebruikte Raymond Gradus, hoogleraar bestuur en economie van de publieke en nonprofit sector aan de VU, dezelfde term participatie-inkomen als alternatief voor het basisinkomen; in feite bedoelt hij hiermee een beperkte vorm van voorwaardelijk basisinkomen.
Ik pleit er hier voor het (basis)inkomen in ruil voor actieve maatschappelijke deelname uiterst breed te trekken.

Vrijwel alle mensen leveren naar vermogen en interesse een bijdrage aan de samenleving waarvan ze deel uitmaken. Waarom zou de samenleving de ene vorm van vrijwillige participatie financieel hoger waarderen dan de andere? Alle burgers zijn vrij in de mate en de vorm waarin zij hun maatschappelijke bijdrage leveren. De principes van vrijheid en gelijkheid vragen dan ook om een gelijke waardering voor elke vorm van burgerschap die iemand kiest. Ik spreek daarom dus van een burgerschapsinkomen, een basisinkomen dat iedere burger in staat stelt om op eigen wijze het burgerschap, het lidmaatschap van een formele samenleving, in te richten.

Waardevolle werkzaamheden

Naast deze, noem het principiële argumentatie is er ook een meer praktische redenering denkbaar die op hetzelfde punt uitmondt, als je de huidige manier van belonen van werk in de samenleving relativeert.

“Feitelijk is de koek op de arbeidsmarkt veel groter, in de zin van het voor¬handen zijn van werk dat vanuit een bredere maatschappelijke opvatting van lonend werk uitstekend kan worden gedaan.” In hun pleidooi voor een parallelle economie wezen Ton Wilthagen en Jos Verhoeven, respectievelijk hoogleraar Arbeidsmarkt in Tilburg en directeur van Start Foundation, op de betrekkelijkheid van wat we in de samenleving onder lonend werk verstaan. Er is veel meer goeds te doen in de samenleving dan we nu waarderen door ervoor te betalen.
Ik draai het ook om: we hebben nu soms absurd veel geld over – of sommige mensen hebben in elk geval een absurd hoog inkomen uit – activiteiten die maatschappelijk gezien helemaal geen zinvolle bijdrage zijn, of die zelfs alleen de verwoesting (of enorme kwaliteitsvermindering) van onze leefomgeving tot gevolg hebben. Je kunt in zekere zin een belasting op topinkomens ook zien als een vorm van straf voor een gebrek aan maatschappelijk relevante werkzaamheden. Of als financiële bijdrage aan de samenleving waar anderen misschien veel meer in natura geven, door hun vrijwilligerswerk, door hun mantelzorg – onbetaalbaar! – of door hun (bijdrage aan de) opvoeding van een nieuwe generatie, om maar een paar willekeurige voorbeelden te noemen waarmee al een enorm scala aan voor de samenleving schier onmisbare activiteiten worden gedekt.

Belonen

De betrekkelijkheid van het huidige systeem van beloning van vrijwillige activiteiten wordt ook duidelijk uit werkzaamheden waar de samenleving nog niet zo lang geleden wel een financiële waardering voor over had, maar die onder het doorgeslagen neoliberaal marktdenken zijn wegbezuinigd. Denk aan toezichthouders in het openbaar vervoer, hulpconciërges die op (basis)scholen de werkdruk van de leerkrachten verlichten of huismeesters die de hele dag aanspreekbaar zijn in sociale huurcomplexen.

Op al deze en nog veel meer plekken kunnen we als samenleving wel wat extra hulp, aandacht en toezicht gebruiken, maar hebben we er in het huidige systeem geen geld voor over. Nou, hier en daar zie je wel weer straatcoaches, gastvrouwen en -heren, fietscoaches en wat dies meer zij opduiken. Dus waarom belonen we niet ook natuurliefhebbers die natuur- en milieulessen verzorgen op scholen of liever nog in het groen? Of gidsen die toeristen ontvangen en wegwijs maken? Of vul zelf maar in, er is genoeg te doen in de maatschappij!

Als we redeneren vanuit een brede maatschappelijke opvatting van wat waardevolle werkzaamheden voor de samenleving zijn, zijn er maar weinig mensen zonder commercieel inkomen die helemaal niets bijdragen en die buiten de regeling vallen van een burgerschapsinkomen als vorm van voorwaardelijk basisinkomen. In veel gevallen zal het dan gaan om mensen die daartoe lichamelijk of geestelijk niet in staat zijn en daarom een beroep (moeten) doen op de solidariteit van de samenleving als geheel. In een enkel geval kan iemand zich geheel onttrekken aan de samenleving. Ook dat is een vrije keus natuurlijk!

Basisinkomen

In de discussie over het basisinkomen worden veel andere relevante, aanvullende argumenten naar voren gebracht, onder meer over de afname van werk door robotisering en over de vermindering van de uitvoeringskosten door alle verschillende uitkeringsvormen te combineren. Die ga ik hier niet allemaal uitgebreid herhalen. Het zal duidelijk zijn dat ik uit de varianten van een onvoorwaardelijk en een voorwaardelijk basisinkomen kies voor een inkomen met maar één voorwaarde, en dan ook nog eens zo ruim geformuleerd dat vrijwel iedereen onder de regeling valt. Behalve mensen die een inkomen verdienen door zo veel uren te werken dat ze geen tijd over houden om maatschappelijk zinvol bezig te zijn 😉

Drie losse gedachten

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on oktober 23, 2016

Vanmiddag gaf minister Plasterk in Buitenhof een suggestie mee aan de commissie staatkundige vernieuwing die hij nog steeds een keer moet instellen. Hoewel best een zinvolle gedachte om in de toekomst om te gaan met de spanning tussen de Tweede en de Eerste Kamer, was het nogal een losstaande suggestie. In de categorie ‘losse flodders’ heb ik er ook nog wel drie, die ik de commissie in overweging geef.

  1. Bewindslieden zijn geen lid van een politieke partij

In de jaren ’60 van de vorige eeuw[i] kwam het nog voor: ministers en staatssecretarissen die het ambt kregen toebedeeld niet omdat zij lid waren van een regeringspartij, maar louter vanwege hun bekwaamheden. Laten we dat tot stelregel maken. Dat heeft twee grote voordelen. We krijgen in het vervolg alleen nog bewindslieden die hun sporen hebben verdiend in de maatschappij en in elk geval geen mensen meer die het ambt alleen krijgen als beloning voor bewezen diensten binnen een partij. Bovendien verliezen partijen hun functie als carrièrevehikels en kunnen zij zich volledig richten op hun primaire doel: het inbrengen van wensen en belangen in het publieke debat en in de democra­tische besluitvorming.

  1. Een wet is ten minste tien jaar van kracht

Een van de gebreken van de parlementaire besluitvorming waar onze samenleving veel last van heeft, is het gebrek aan kwaliteit van veel wetgeving. Wetten worden om politieke (bezuinigings) redenen overhaast ingevoerd (decentralisatie sociaal domein), blijken in de praktijk onuitvoerbaar (pgb-uitbetaling) en negatieve adviezen van de Raad van State worden in de wind geslagen (‘passend onderwijs’[ii]). Als wetten tien jaar van kracht moeten blijven, gaat daar een preventieve werking van uit: de Kamers bedenken zich allebei wel twee keer voordat ze iets tot wet verheffen. En zo blijft de samenleving ook mooi verschoond van steeds sneller veranderende wet- en regelgeving.

  1. Een modern ‘schervengericht’

In de klassieke Atheense democratie konden burgers de naam van een politicus die ze te machtig vonden worden of die ze om andere reden zat waren, op een stuk aardewerk krassen. De politicus die – boven een ondergrens – het meest werd ‘genomineerd’, werd voor tien jaar verbannen.  Een moderne variant zou een gekwalificeerde meerderheid van redelijke burgers aan een manier helpen om een populist die de rechtstaat bedreigt af te stoppen voor het te laat is. Of om een godsdienst die zijn regels via een partij aan de hele samenleving zou willen opleggen tijdig te stuiten. Zo maken we onze democratie weerbaar[iii] tegen intolerantie en ondemocratische bedreigingen.

[i] Kabinet Zijlstra, 1966-67
[ii] bedoeld is het wetsvoorstel extra ondersteuning onderwijs dat 11 april jl. is ingediend ondanks een advies van de RvS van het hele wetsvoorstel af te zien.
[iii] referentie aan Bastiaan Rijpkema, Weerbare democratie

Tagged with: ,

Drie klassieke gedachten over democratie

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on juli 13, 2016

‘Werken aan nieuwe democratie’ – met dat motto is de afgelopen maanden binnen GroenLinks een partijbrede discussie gevoerd over de vraag: zeggenschap, hoe doe je dat? Bij gesprekken over democratie en zeggenschap grijp ik graag terug op de klassieken: het hele begrip democratie is immers van klassieke origine. Voor wie denkt dat wij in een democratie leven breng ik dan om te beginnen graag de omschrijving van Aristoteles* onder de aandacht: dat men om de beurt wordt geregeerd en zelf regeert…
Het meest bekende onderdeel van de klassieke Griekse democratie is – althans sinds het pleidooi van David Van Reybrouck Tegen verkiezingen – het principe van loting als uiting van de fundamentele gelijkwaardigheid van alle deelnemers aan de samenleving. Ik geef de lezer hier graag drie minder bekende klassieke gedachten mee.

Cyclus van staatsvormen
Een pessimistisch stemmende gedachte is dat er een wetmatige pervertering plaatsvindt van de ‘zuivere’ staatsvormen. De alleenheerser wordt op den duur tyranniek, de elite regentesk en de brave burgers ontaarden in een verwende massa die als ze haar zin niet krijgt agressief wordt. Het eind van het liedje is dat de roep om een sterke leider klinkt, die eerst inderdaad orde op zaken stelt maar zich allengs ontpopt tot een alleenheerser, terug bij af:

cyclus staatsvormen

We zouden hieruit het gevaar kunnen destilleren van “te veel democratie”. Het risico dat onkunde, willekeur en volksmennerij leiden tot onevenwichtig of wispelturig beleid is nuttig om in het achterhoofd te houden bijvoorbeeld bij discussies over de wenselijkheid van referenda en gekozen ministers-president of burgemeesters.

Het ideaal van de gemengde constitutie
Romeinse denkers vonden dat hun republiek een uitgebalanceerd geheel vormde waarin de invloed van de burgers, de deskundigheid van de elite en de beslissende daadkracht van politieke leiders verzekerd waren. Onze ‘diplomademocratie’ heeft ook wel sterke trekken van zo’n gemengde constitutie:

gemengde staatsvorm

Een les voor onze tijd zou kunnen zijn dat we vooral moeten denken in termen van verrijking van het democratische arsenaal met een scherp oog voor evenwicht van de verschillende invloeden. Dus als er een rechtstreeks gekozen burgemeester komt, dan ook een (digitaal) ‘schervengericht’ waarmee een te eigengereide politicus kan worden weggestemd. Het is dus ook niet óf een doe-democratie óf een vertegenwoordigende democratie: het gaat om de verhouding tussen meer directe zeggenschap en deliberatieve democratie enerzijds en de representatieve democratie zoals die zich in de moderne tijd heeft ontwikkeld anderzijds.

Volkstribuun
In het verlengde daarvan noem ik als derde gedachte de figuur van de volkstribuun. In zeker zin vervult onze ombudsman de rol van een volkstribuun: het opkomen voor de belangen van een (on(der)vertegenwoordigde) minderheid of zelfs eenling. Onlangs opperde DWARS het idee van een ombudsteam voor toekomstige generaties, om te garanderen dat hun belang meeweegt bij het vaststellen van het beleid van nu. Misschien zou zo’n figuur net als in de oudheid moeten worden bekleed met een unieke doorzettingsmacht (vetorecht, interventierecht). Maar ook voor de huidige niet-gehoorde burgers kan zo’n ‘volkstribuun’ nuttig zijn, om bij te dragen aan een goed functionerend samenspel tussen overheidsbestuur en zelfbestuur door burgers.

*Arist. Pol. verkorte weergave 1317b1

 

De noodzaak méér mensen méér mee te nemen bij de inrichting van de samenleving

Posted in gemeenteraad Zwolle by patrickpolitiek on juli 7, 2016

Aan het begin van mijn algemene politieke beschouwing in de Zwolse gemeenteraad heb ik in een persoonlijke hartekreet mijn zorgen gedeeld over de polarisatie in ons land, “die de democratische proporties te buiten dreigt te gaan.” En dat is “wel het laatste wat we kunnen hebben in een tijd waarin de noodzaak om samen op te trekken nog nooit zo groot is geweest.”

Ons land maakt een polarisatie mee die de democratische proporties te buiten dreigt te gaan. We zijn getuigen van een valse verharding van het publieke debat – het is al bijna geen debat meer, alleen nog woorden die bedoeld zijn om te horen, niet om naar te luisteren. Mensen verschansen zich in twee kampen, vijandbeelden worden opgetuigd, karikaturen van elkaar geschetst. Nu is in Zwolle het woord revolte nog niet gevallen en kwamen er bij discussies over het azc alleen woorden, geen vuisten aan te pas, zoals elders. Toch merken we ook hier een zekere verharding; denk aan de strijd om wat de een het geluidsniveau, de ander herrie bij evenementen noemt…

Zo’n kloof, die wel overschreeuwbaar is maar niet overbrugbaar lijkt, is wel het laatste wat we kunnen hebben in  een tijd waarin de noodzaak om samen op te trekken nog nooit zo groot is geweest. Dat geldt op wereldschaal, waar de onderlinge afhankelijkheid sterker is dan ooit tevoren; denk aan de klimaatverandering, denk aan de migratiebewegingen die daar al dan niet indirect mee samenhangen. Dat geldt ook in onze stad. We kunnen de toekomst alleen met vertrouwen tegemoet treden als we ons met elkaar verbonden weten en samen werken.

Daarom ben ik in mijn politieke beschouwing ingegaan op de noodzaak méér mensen méér mee te nemen bij de inrichting van onze samenleving. De noodzaak om samen méér inspanningen te verrichten om onze leefomgeving ook in de toekomst leefbaar te houden. We moeten er voor zorgen dat méér mensen ook daadwerkelijk mee kunnen doen in onze maatschappij.

15 september is de internationale Dag van de Democratie. De Verenigde Naties benadrukken dat het bij democratie niet alleen gaat om de formele invloed van mensen op politiek, economie en cultuur, maar ook om het voluit mee kunnen doen en zeggenschap hebben over alle domeinen van je leven.
Mensen moeten zelf de democratische ervaring weer aan den lijve ondervinden: democratie is niet volharden in je eigen gelijk, democratie is rekening houden met elkaar, er samen uit komen, geven en nemen, botsen en elkaar weer de hand reiken. Omdat je samen verder moet. Juist nu. Vooral nu.

Het volledige betoog is te lezen op de website van GroenLinks Zwolle.

Het raadslid van de toekomst: ideeënmakelaar, spelverdeler en volkstribuun?

Posted in gemeenteraad Zwolle by patrickpolitiek on januari 23, 2015

Het is een open deur waar ik graag doorheen stap: de verhouding tussen ‘de overheid’ en ‘de burger’ is aan het verschuiven. Iedereen begrijpt dat ‘de overheid’ en ‘de burger’ niet bestaan, net zo min als ‘de Nederlander’ (al mocht Máxima dat niet gewoon zeggen), dus het verschuiven van een rolverdeling tussen beide niet-bestaansvormen is een ‘schimmig’ gedoe. Of positiever gezegd: het gaat om een ontwikkeling die haar schaduw ver vooruitwerpt en waarvan alleen nog maar contouren zichtbaar zijn.

In het leernetwerk vernieuwing (lokale) demokratie denken we met een heleboel raadsleden na over de betekenis die deze verschuiving heeft of krijgt voor de rol en het functioneren van ‘volksvertegenwoordigers’: in theorie vertegenwoordigen raadsleden immers de mensen die hen in de gemeenteraad hebben gekozen. Dat vertegenwoordigen is ook al lang een fictie, althans in de directe betekenis van het woord, want ik ken alle 2191 mensen die op mij hebben gestemd natuurlijk niet allemaal persoonlijk: we hebben immers vrije en geheime verkiezingen. De vertegenwoordiging loopt via een verkiezingsprogramma waarvan kiezers hoogstens via een stemhulp enige notie van hebben genomen…

Mensen laten zich natuurlijk anno nu natuurlijk ook niet meer louter vertegenwoordigen. Ja, alle bestuurlijke formaliteiten laten we graag aan raadsleden over (ja ‘we’, want ik ben ook gewoon inwoner van de stad). Maar als het er op aan komt, als het ons zelf aangaat, als het onze directe leefomgeving betreft of iets waar we persoonlijk mee begaan zijn, dan bemoeien we ons daar uiteraard lekker zelf mee!

Naast de vertegenwoordigende demokratie bloeit dus de meewerkende en de meepratende demokratie op, hier en daar zijn zelfs al vroege uitlopers van de meebeslissende demokratie waarneembaar of ontkiemt zowaar iets van directe zeggenschap en eindverantwoordelijkheid van inwoners.

De vraag is dan: wat is de rol en verantwoordelijkheid van volksvertegenwoordigers bij dergelijke deliberatieve en directe vormen van demokratie?

Zo veel mogelijk zeggenschap

De afgelopen pakweg acht jaar – twee raadstermijnen – speelde ik naast de rol van volksvertegenwoordiger die typische partijstandpunten namens de achterban naar voren brengt, ook meer en meer de rol van ‘volksverbinder’ (de term die de Gemeenteraad van de Toekomst en de Raad Openbaar Bestuur gebruiken), die initiatiefnemers in de stad adviseert, in contact brengt met de juiste mensen binnen en buiten de gemeentelijke organisatie en tegelijkertijd zowel meedenkt aan concrete oplossingen of alternatieven, als op het platform van de gemeentepolitiek probeert structurele aanpassingen te bewerkstelligen om een betere weg te banen voor toekomstige initiatieven. Ik vind het namelijk belangrijk dat alle mensen zo veel mogelijk zeggenschap over hun eigen leven hebben [1]. Dat is voor mij bij uitstek hét demokratische principe.

Omdat bij de selectie van de initiatieven waarvoor ik mij sterk maak en de manier waarop ik mijn netwerk inzet om medeburgers verder te helpen vanzelfsprekend mijn eigen politieke principes en standpunten meespelen, verkies ik de term ‘ideeënmakelaar’ boven ‘volksverbinder’: ik knoop niet neutraal wat touwtjes aan elkaar, maar ‘verrijk’ ideeën, breng eigen accenten aan en leg vooral verbindingen van een bepaalde ‘kleur’ [2].

Stadsgesprekken en zo

Op dit moment zie ik voor mezelf ook een belangrijke opdracht binnen de gemeentepolitiek. Er staan veel initiatiefnemers ‘voor de deur van het stadhuis’ te trappelen van ongeduld; zij hebben op allerlei manieren de gemeente nodig om hun plan te realiseren of op zijn minst verder te helpen. (Er is in Zwolle een sterke ‘kantelbeweging’, die ook nadrukkelijk naar verbinding met de gemeente en de gemeentepolitiek zoekt.) Ik zit als raadslid ‘binnen’ in dat stadhuis en vind het mijn verantwoordelijkheid om de deuren open te zetten en met ‘de hele politiek’ naar buiten te gaan. Dat kan zowel online als fysiek in de vorm van stadsgesprekken en zo: van wijkdialogen tot burgerpanels, met de traditionele opkomst of door loting samengesteld. Op dit pad zetten we in Zwolle ook stappen vooruit, al gaat het mij niet gauw snel genoeg [3].

Daarnaast probeer ik ook burgers zoveel mogelijk middelen in handen te geven om (samen) sterk te staan en dingen ‘met elkaar voor elkaar’ voor elkaar te krijgen. Een mooi beginnetje is het right to challenge in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waar we in Zwolle echt werk van maken [4]. Maar ik ben ook bezig met verdergaande rechten zoals budgetmonitoring, wijkbegrotingen en bewonersrechten als het recht op gebruik van maatschappelijk vastgoed [5].

2025

Als we bij wijze van vingeroefening proberen dit proces van verdergaande demokratisering (of ‘doordecentralisering’) nog eens wat verder door te denken, tendeert in mijn ogen de rol van het raadslid naar die van spelverdeler. Een hoop bestuurlijke dingen zullen door een klassieke volksvertegenwoordiging worden afgehandeld, maar daarnaast is er veel meer ‘samenspel’ tussen overheid en burgers. De verdeling tussen beide spelvormen in de gaten houden, zal misschien wel de grootste verantwoordelijkheid van het raadslid van de toekomst worden.

En misschien krijgt een raadslid op den duur daardoor steeds minder een inhoudelijke verantwoordelijkheid (ideeënmakelaar) en steeds meer procesverantwoordelijkheid: zorgen voor een gelijk speelveld tussen burgers, informatiestromen bewaken of garanderen, bepalen of de budgetverantwoordelijkheid wel ‘laag’ genoeg in de samenleving ligt – dat soort dingen. Doe-demokratie (de term is van Plasterks nota [6]) is in mijn ogen niet alleen doen, maar moet vooral ook demokratisch zijn: iedereen heeft even veel kans en recht om mee te doen en de raad wordt wellicht de hoeder van het demokratische gehalte van de demokratie. De bewaker van een gemeentebestuur waarin iedereen zo veel mogelijk zeggenschap over het eigen leven en de eigen leefomgeving heeft. Daarbij horen dan misschien ook moderne vormen van de middelen die een volkstribuun in de Romeinse republiek [7] ter beschikking stonden: een unieke doorzettingsmacht (vetorecht, interventierecht) ten behoeve van een goed functionerende samenspel tussen overheidsbestuur en zelfbestuur door burgers. En wie weet ook een digitaal ‘schervengericht ‘[8] waarmee burgers per referendum de loopbaan van een politicus met te veel eigen ideeën aan diggelen kunnen slaan.

De toekomst zal leren of en in hoeverre we dan ‘terug’ zijn bij de idealen van de jaren ’60, bij de oude Romeinse republikeinse rechtstaat of bij de ‘basisdemokratie’ van de stadsstaat Athene…

Deze tekst is oorspronkelijk geschreven ten behoeve van reflectie in het Leernetwerk Lokale Democratie


[1] zie ook mijn blog Zeggenschap en tegenmacht

[2] In Zwolle kent de gemeente overigens een ambtenaar in de rol van ideeënmakelaar, zie https://www.zwolle.nl/doemee/ideeenmakelaar Ik ontleen aan die functie de term, niet de rol: die is met name gericht op het begeleiden van burgerinitiatieven door de krochten van de interne ambtelijke organisatie. Als raadslid ben je ook en met name ‘in de stad’ actief als verbinder en makelaar, niet alleen ‘in het stadhuis’.

[3] Voorbeelden uit de Zwolse actuele politiek: GroenLinks Deltaplan voor de demokratie, van vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen 2014: https://patrickpolitiek.wordpress.com/2014/03/17/deltaplan-voor-de-demokratie/, onze inzet voor echte stadsgesprekken: https://zwolle.groenlinks.nl/nieuws/naar-een-%C3%A9cht-stadsdebat (waarvoor ook daadwerkelijk steun is in de raad: https://zwolle.groenlinks.nl/nieuws/steun-voor-echt-stadsdebat) en recentelijk nog de aandacht voor de experimenteerruimte die minister Plasterk wil bieden: https://zwolle.groenlinks.nl/nieuws/groenlinks-wil-zwolse-initiatieven-helpen-door-knellende-regels-te-omzeilen. (Ik werk op dit vlak overigens veel samen met burgerraadslid Remko de Paus, die in 1998 is afgestudeerd op interactieve beleidsvorming en met name de participatie van etnische minderheden.)

[4] Zie https://zwolle.groenlinks.nl/uitgelicht en met name https://zwolle.groenlinks.nl/right-challenge

[5] zie voor mijn ideeën hierover https://zwolle.groenlinks.nl/burgerkracht

[6] De doe-democratie. Kabinetsnota ter stimulering van een vitale samenleving http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/publicaties/2013/07/09/kabinetsnota-doe-democratie.html

[7] De Romeinse republiek wordt wel gezien als een (ideaaltypische) gemengde constitutie waarin de bevoegdheden van de twee ‘jaarkoningen’ (consuls), de artistokratie (senaat) en de burgers (volksvergadering, volkstribunen) in een afgewogen geheel van checks and balances elkaar in evenwicht hielden.

[8] in het oude Athene had men de mogelijkheid ingebouwd van een referendum waarbij stemgerechtigden een ambtsdrager konden ‘wegstemmen’ (ostrakisme)

Deltaplan voor de democratie

Posted in gemeenteraad Zwolle by patrickpolitiek on maart 17, 2014

De gemeente krijgt vanaf volgend jaar een grotere rol in het leven van haar inwoners dan ze ooit heeft gehad. In onze ogen is het daarom van doorslaggevend belang dat de inwoners vanaf het begin invloed kunnen uitoefenen op het beleid. Wij* roepen de nieuwe gemeenteraad van Zwolle dan ook op tot een trendbreuk: schrijf het nieuwe collegeprogramma MET de inwoners van de stad!

In Amersfoort gaan drie dagen na de verkiezingen duizend burgers met elkaar in gesprek om een agenda voor de komende vier jaar op te stellen. Elders pakt men het kleinschaliger aan en wil men een bevolkingspanel mee laten beslissen over belangrijke vraagstukken. Of vóór de formatie van het nieuwe college afspreken welke kwesties in samenspraak met partners in de lokale samenleving worden aangepakt.[1]

Als kandidaat raadsleden voor GroenLinks Zwolle nemen wij het initiatief om ook in onze stad een betekenisvolle stap te zetten om de democratie nieuwe vorm en inhoud te geven. Zonder zeggen­schap is de participatiesamenleving gedoemd te mislukken: de burger doet dan wel mee, maar de overheid niet. Laten we daarom de democratie versterken en burgers systematisch betrekken bij het bestuur van de stad. Te beginnen direct na de verkiezingen van 19 maart!

Doen wat we kunnen
Minder dan de helft van de kiesgerechtigden in Nederland zou op 19 maart naar de stembus gaan[2]. Uiteraard doen we er in Zwolle alles aan om het niet zover te laten komen. Maar een opkomst van rond de 50% betekent dat zelfs een unaniem besluit in de gemeenteraad eigenlijk niet of nauwelijks berust op een meerderheid van stemmen. Dat is desastreus voor de lokale democratie. Eind vorig jaar waarschuwde Kim Putters, directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, dat de afstand tussen burger en gemeente net zo groot dreigt te worden als die tussen de burger en Europa. Het is volgens ons daarom tijd voor een Deltaplan om de lokale democratie te redden.

De tijd dat mensen eenmaal in de vier jaar hun stem uitbrachten en er dan verder wel op vertrouw­den dat het goed kwam, is voorbij. Anno 2014 behoeft ons systeem van volksvertegenwoor­diging een aanvulling. Hoe de democratie democratischer kan worden  gemaakt, daar zijn al boekenkasten over vol geschreven en heel veel Mb’s over online gezet. Wij stellen voor dat we niet wachten tot wetten worden aangepast, maar dat we gewoon doen wat we kunnen. De voorbeelden elders in het land laten zien dat het kan. Het is een kwestie van willen.

Aanzetten
Gemeenten hebben straks een rol in het leven van hun inwoners, die groter is dan ooit. Met name in de (jeugd)zorg en ondersteuning naar betaald of beschut werk, worden de besluiten vanaf 2015 lokaal genomen. Laat de inwoners van onze gemeente meebeslissen over de totstandkoming van plannen die hen direct raken. Laat hen bijvoorbeeld meeschrijven aan het collegeprogramma.

GroenLinks Zwolle heeft de afgelopen tijd een paar aanzetten gegeven, beperkt van aard en schaal, maar ze zijn dan ook bedoeld om de discussie aan te wakkeren, niet om de vorm vast te leggen.
Zo pleiten we ervoor met cliënten die straks voor hun zorg van de gemeente afhankelijk zijn, een akkoord te sluiten. In dit akkoord leggen cliënten vast wat zij belangrijk vinden en onderschrijft de gemeente die prioriteiten. In de aanloop hebben we gesprekken met cliënten en mantelzorgers gevoerd en een eerste aanzet tot zo’n sociaal cliëntenakkoord op papier gezet.
Ook hebben we een referendum voorgesteld over de inmiddels zwaar gedateerde bouwplannen voor  het buitengebied, een knoop die het gemeentebestuur jaar na jaar niet heeft willen doorhakken.[3]
Op de derde plaats pleiten we al sinds jaar en dag voor structurele wijkbudgetten en de bijbehorende wijkdemocratie. En we willen graag experimenteren met online wijkplatforms om die wijkdemocratie te ondersteunen en een rechtstreekse verbinding te leggen tussen wijkbewoners en ‘hun’ volks­ver­tegen­woordigers in de gemeenteraad. De Amerikaanse hoogleraar Jim Diers[4] schetst daarbij een wenkend perspectief: wijken en buurten die aan kunnen tonen brede lagen uit de bevolking te betrekken krijgen meer verantwoordelijkheden. Zo betrekt hij ook mensen met een verstandelijke beperking, jongeren en allochtonen in de wijken, groepen die je normaal gesproken niet of nauwelijks ziet op gemeentelijke inspraakbijeenkomsten.
In een blog hebben wij wel eens geopperd dat we de klassieke democratische methode van loting zouden kunnen inzetten bij het samenstellen van klankbordgroepen.[5] Misschien is het ook een goed idee voor de wijkdialogen en wie weet voor een heuse stadsdialoog.[6]

Oproep
Nogmaals: het zijn niet meer dan aanzetten om het gesprek mee te openen. De voorbeelden elders in het land laten zien dat er nog veel meer mogelijk is. Een deltaplan maakt een partij niet in haar eentje, dat maken we samen. Laten we onze denkkracht bundelen en de democratie ophogen met nieuwe lagen van zeggenschap, waarmee we mensen weer echt betrekken bij het bestuur van de stad! In een stad boven de ‘democratische zeespiegel’ heb je geen dijk nodig tegen een dreigende overstroming van gevoelens van onvrede en machteloosheid.

*Dit artikel heb ik als lijsttrekker van GroenLinks Zwolle samen met kandidaat-raadslid Remko de Paus geschreven


[1] De zogeheten G1000 Amersfoort is een bijeenkomst van 1000 burgers van Amersfoort op 22 maart 2014: http://www.g1000amersfoort.nl/.
In de gemeente Oude IJsselstreek is de motie besturingsaanpak aangenomen.
De burgemeester van Noordwijk heeft voorafgaand aan de verkiezingen het idee gelanceerd om een bevolkingspanel mee te laten beslissen over belangrijke vraagstukken.
Deze en meer voorbeelden zijn te vinden op http://decaleidoscoop.org/
Zie ook de ideeën van de Gemeenteraad van de Toekomst, zoals verwoord in een Brief aan de Koning.

[2] TNS Nipo voorspelt dat het opkomstpercentage onder de helft zal uitkomen (landelijk gemiddelde).
In 2010 was de opkomst in Zwolle overigens ook maar net boven de helft: 54,1%.

[3] Inmiddels is uit de stemwijzer De Stem Van Zwolle duidelijk geworden, dat de een ruime meerderheid van de partijen die aan de verkiezingen deelnemen wil afzien van woningbouw in het buitengebied.

[4] Neighbor Power, building community the Seattle way – Jim Diers

[5] Loten en klankborden, uit mei 2010

[6] David van Reybrouck bepleit in zijn pamflet ‘Tegen verkiezingen’ zelfs een volledig uitgewerkt systeem van loting voor het bestuur van het land. Zie ook zijn stukken in De Correspondent: https://decorrespondent.nl/davidvanreybrouck

Zeggenschap en tegenmacht

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on december 24, 2013

Bij democratie draait het om de mate van zeggenschap die je hebt om je leven vorm te geven, in je directe woonomgeving, op je werk, in de samenleving waar je deel van uitmaakt. Fundamentele gelijkwaardigheid van mensen, vrijheid van meninguiting en toegang tot alle relevante informatie zijn daarom wezenlijke bestanddelen van democratie. In navolging van Christiaan van der Veeke wil ik ‘op een heel andere manier naar het fenomeen democratie kijken.’[1] Ik pleit ervoor om democratie veel ruimer te definiëren.

Daarbij zal ik mij beperken tot twee aspecten, aansluitend bij een centrale notie in het betoog van Van der Veeken: “het is belangrijk dat we democratie niet reduceren tot verkiezingen en een representatief parlementair systeem. En dat we de rol van de burger niet conceptueel beperken tot stemmen en het uitoefenen van controle, maar aanvullen met deliberatie, aanvechting en agendering.”
Op het eerste punt bepleit ik een verruiming van (het denken over) democratie tot de private sector. Voor de functies van deliberatie, aanvechting en agendering is informatie­voorziening van cruciale betekenis. Ook op dat punt ga ik hieronder in.

Zeggenschap

In de kopij voor een lesboek voor het vak economie die ik als redacteur een jaar of tien geleden onder ogen kreeg, stond een intrigerende tabel met de 100 grootste economische machten in de wereld anno 2000[2]. Daarin zijn de landen gerangschikt naar bruto nationaal product en de bedrijven naar omzet. De lijst bevat meer ondernemingen dan landen! Je kunt met in het achterhoofd de conclusies van Joris Luyendijk na twee jaar onderdompeling in de Londense City haast zeggen: je kunt hier en daar beter spreken van landen in een bedrijf dan van bedrijven in een land.[3]
Het is in dat licht dat ik de woorden van Van der Veeke wil lezen: “de termen samenleving en rechtstaat dekken de lading niet wat betreft de demos en democratie.” Wat hebben we aan een ogenschijnlijk keurig werkend systeem van parlementaire democratie waarin je direct en indirect invloed kunt uitoefenen op de gang van zaken in je gemeente, provincie, land of gemeenschap van landen, als de echte machten zoals internationaal opererende bedrijven geheel buiten dit systeem om opereren? Als we iets zouden kunnen leren van de ‘bankencrisis’ en de ‘Eurocrisis’ dan is het wel dat de beslissingen en het beleid van private ondernemingen zonder enige democratische legitimatie een enorme invloed kunnen uitoefenen op complete nationale en transnationale economieën en daarmee op het dagelijks leven van mensen.[4]

Behalve naar de macht van bedrijven ten opzichte van democratisch bestuurde landen, kunnen we ons ook richten op de zeggenschap die mensen als werknemer of consument hebben ten opzichte van bedrijven. In ons land kennen we een wettelijke verankerde medezeggenschap, die bijvoorbeeld in het onderwijs niet alleen de werknemers bepaalde bevoegdheden verleent, maar ook de ‘klanten’: de leerlingen of ouders. Bij ondernemingsraden beperkt de medezeggenschap zich tot de werknemers en in de praktijk hebben de toegekende bevoegdheden een beperkte waarde. Je zou kunnen zeggen dat het democratisch gehalte in zo’n situatie laag is.

Bij democratie gaat het in mijn ogen om de zeggenschap die je hebt, de invloed die je kunt uitoefenen in de situatie waarin je je bevindt. De fundamentele gelijkwaardigheid van mensen vereist logischerwijs dat iedereen ten principale – net zo goed als dat geldt voor de vrijheid van meninguiting – evenveel recht heeft op zeggenschap. Dan moet ieders individuele recht op invloed dus niet beperkt blijven tot het publieke domein, al helemaal niet nu dat zeker niet meer de belangrijkste factor van betekenis is in een samenleving die gedomineerd wordt door ‘de economie’. Zeggenschap van burgers als consumenten en als werknemers bij de vaststelling van het beleid van particuliere bedrijven – en het gelijke speelveld dat daarvoor nodig is – zou democratie tot stand kunnen brengen in alle relevante geledingen van de maatschappij. En wellicht fungeert deze vorm van democratie dan als breekijzer om de ongeclausuleerde macht van megabedrijven te bedwingen.

Tegenmacht

Om invloed te kunnen uitoefenen, zowel in het publieke domein als in de private sector, heb je informatie nodig. De trits van Den Uyl bevatte niet voor niets behalve de spreiding van inkomen en macht ook kennis.
In de democratie wordt sinds Montesquieu gesproken over drie onderscheiden en (theoretisch) gescheiden machten, de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Maar zeker in de tegenwoordige informatiemaatschappij valt er veel te zeggen voor een vierde macht, een tegenmacht, die een goede informatievoorziening waarborgt. Informatie is immers onontbeerlijk voor het goed functioneren van democratie, zowel in de conventionele betekenis als in een ruimere opvatting van uitoefening van zeggenschap.
“Journalistiek, gericht op waarheidsvinding en onafhankelijke duiding van relevante thema’s en ontwikkelingen, is een voorwaarde voor een goed functionerende democratie. Het is dan ook de taak van de wetgever en uitvoerende overheden om die te faciliteren, ook met funding. Goede informatie is een grondrecht.” Aldus journalist en voormalig Sp!ts-hoofdredacteur Bart Brouwers.[5]
Ik zal hier niet ingaan op de zeven verschillende opties die Brouwers noemt voor de vorm waarin de overheid de informatievoorziening zou kunnen schragen – hoe interessant ook bijvoorbeeld de suggestie is om de verdeling van het geld te laten bepalen door de gebruikers van de informatiebronnen. Ook de discussie over de onafhankelijkheid van de journalistieke media versus overheidssteun laat ik hier rusten met de constatering dat het idee dat de markt de persvrijheid wel garandeert, al lang niet meer door de feiten wordt geschraagd.[6]
Het is mij met dit citaat te doen om de notie dat goede informatie een grondrecht is. Om het ideaal van zeggenschap waar te kunnen maken is informatie in de zin die Brouwers omschrijft, een noodzakelijke voorwaarde. Ik geef een eenvoudig voorbeeld uit mijn eigen ervaring als gemeenteraadslid om het belang van duiding en interpretatie handen en voeten te geven.
De formele beantwoording van de bezwaren die inwoners van Zwolle indienen tegen bestemmingsplannen of tegen bouwaanvragen (pardon, ik bedoel natuurlijk aanvragen voor een omgevingsvergunning) is soms zo onbegrijpelijk dat iemand onlangs in de raadsvergadering kwam inspreken om zijn gelijk te halen terwijl hij dat in de ‘zienswijzennota’ al lang had gekregen. Inmiddels heb ik via een motie voor elkaar gekregen dat mensen in begrijpelijke taal een reactie ontvangen[7], maar het punt dat ik wil maken is duidelijk: alleen alle informatie openbaar maken volstaat niet om daadwerkelijke zeggenschap te garanderen.
Denk alleen maar aan de praktijk om nieuws dat men liever niet bekend maakt op ongunstige tijdstippen te publiceren, of in de slipstream van grote nieuwsitems, in de hoop dat die de onwelgevallige openbaarmaking zullen overschaduwen.
‘Onafhankelijke duiding van relevante thema’s en ontwikkelingen’ maakt net zo goed onderdeel uit van de noodzakelijke informatievoorziening als ‘waarheidsvinding’ en openbaarheid van bestuur. De journalistiek is daarmee in het bezit van de kostbare tegenmacht, de vierde pijler onder onze parlementaire democratie en al even noodzakelijk voor de werkelijke invloed in alle andere situaties waarin we iets te zeggen willen hebben over ons eigen leven.

Zeggenschap en tegenmacht

Als je dit idee van de journalistiek (en ik schrijf natuurlijk opzettelijk niet: ‘de (conventionele) media) als vierde pijler van de democratische samenleving combineert met de grondgedachte van het recht op zeggenschap in alle domeinen van de samenleving, ook de private sector, dan blijkt pas echt hoezeer Van der Veeke gelijk heeft met zijn constatering dat we over het algemeen democratie veel te beperkt opvatten. Want aan controlerende informatievoorziening over bedrijfsbeleid om daadwerkelijke zeggenschap te schragen schort het in onze huidige samenleving ten enenmale. Als je het zo bekijkt, hebben we democratie in de gangbare praktijk geheel beperkt tot een zeer afgepaald deel van de maatschappij dat we het publieke domein noemen. Een niet onbelangrijk deel, maar in veel opzichten niet (meer) het invloedrijkste deel. Er ligt nog veel democratiseringswerk voor de schaar.

Deze tekst is eerder gepubliceerd in Waterstof #68, november 2013


[1] De onbepaaldheid van de demos: Democratie als onvoorspelbare politieke praktijk. Waterstof 67, september 2013. Van der Veeken is in mei van dit jaar gepromoveerd op ‘Kritische filosofie en de democratische horizon’; zie de website van de Erasmus Universiteit Rotterdam

[2] De tabel is gebaseerd op Medard Gabel en Henry Brunen, Global Inc. An Atlas of the Multinational Corporation, New York (The New Press) 2003. In: Ton van Haperen (eindred.), Index, economie voor de tweede fase vwo, deel 6 Globalisering. Utrecht/Zutphen (ThiemeMeulenhoff) 2005

[3] “Nog even en je hebt niet langer landen met een financiële sector, maar een financiële sector met landen” uit: Joris Luyendijk, Het kan zo weer gebeuren, NRC 2 oktober 2013

[4] Het Prism-schandaal rond de afluisterpraktijken van de Amerikaanse inlichtingendienst NSA laat zien dat bijvoorbeeld ook de nationale belangen van de VS en de belangen van Amerikaanse bedrijven een gevaarlijk onduidelijk amalgaam vormen. Op grond van de onthullingen van Glenn Greenwald zou je de gevolgtrekking kunnen maken dat de nationale inlichtingendienst die in het landsbelang zou moeten opereren en daartoe vergaande bevoegdheden heeft gekregen, zich ook voor het karretje van particuliere bedrijven laat spannen.

[5] In: Na de Deadline. Journalistiek voorbij de crisis. Amsterdam (Fast Moving Targets) 2013, pag.147. Voor een discussie over zijn stelling ‘Journalistiek is een overheidszorg’ zie Brouwers weblog DodeBomen.nl

[6] Brouwers verwijst naar politicologe Debbie Appel, Journalisten zijn visie op hun taak kwijt. In: ED.nl 12 december 2012. “Appel laat zien dat dat het dilemma tussen winstoogmerk en kwaliteitsjournalistiek de media meer dwarszit dan ze zelf toegeven.” Brouwers op. cit. pag. 172

[7] Aan mijn motie ‘Begrijpelijke reactie op zienswijzen’ is recentelijk uitvoering gegeven blijkens een informatienota aan de raad van 3 oktober jl.

Reacties staat uit voor Zeggenschap en tegenmacht

Meer geluk voor hetzelfde geld

Posted in landelijke politiek by patrickpolitiek on januari 13, 2013

‘Geld maakt niet gelukkig… als je er maar genoeg van hebt,’ placht mijn vader te zeggen. Met de nadruk op de toevoeging genoeg is dit gezegde bij uitstek de reden om de inkomensverschillen in een samenleving beperkt te houden. Boven een bepaald inkomen worden mensen helemaal niet gelukkiger van meer geld. Bovendien gaan ze van al te veel geld alleen maar dingen doen die slecht zijn voor onze planeet en onze leefomgeving.

In het waardenpatroon van de moderne Westerse wereld lijkt het een vaststaand gegeven: hoe meer je bezit, des te beter ben je af. In de beeldvorming draait alles dan ook om ‘meer meer meer’. In werkelijkheid blijkt dat boven een bepaalde grens méér geld niet nóg gelukkiger maakt. Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman heeft berekend dat het geluk gelijk op stijgt met een toenemend inkomen totdat zo’n beetje het gemiddelde gezinsinkomen in de samenleving is bereikt. Hoeveel men daarboven ook erbij krijgt, er komt nauwelijks nog geluk bij. (1) In de woorden van sociaal econoom Ruud Muffels: ‘Geld speelt een beperkte rol in het geluksgevoel. Andere zaken zijn belangrijker. Een van de meest essentiële dingen is het functioneren in een sociaal verband, het gevoel ergens bij te horen. Iets te kunnen betekenen: in je werk, voor je kinderen.’ (2)

Hoewel er flinke discussie gaande is over de precieze relatie tussen inkomensgelijkheid in een land en de mate van welzijn van de bevolking (3) , lijkt er veel voor te zeggen dat bij een gelijkmatige inkomensverdeling de bevolking van een land zich gemiddeld gelukkiger voelt. De econoom/filosoof Paul Teule bijvoorbeeld ziet een ‘stortvloed aan correlaties’ tussen inkomens(on)gelijkheid en ‘meetbare indicatoren die veel met geluk te maken hebben.’ (4) In elk geval wil de overgrote meerderheid van de mensen graag dat de inkomensverschillen niet te groot zijn. (5)

Dus afgezien van de rechtvaardigheid om ook in inkomens een zekere gelijkheid tussen mensen na te streven – ik verwijs graag naar Jan Tinbergens beroemd geworden uitspraak ‘Binnen een gezin worden mensen nooit zo ongelijk behandeld als in de maatschappij’ (6) – is er ook vanuit het oogpunt van welzijn of geluk voor iedereen in een samenleving alles voor te zeggen om de inkomens te nivelleren. Ik zou dat de “geluksefficiëntie” van geld willen noemen: lagere inkomens worden relatief veel gelukkiger van het extra geld dat zij krijgen dan wanneer je het aan rijken geeft. Ergo: in een samenleving met een genivelleerde inkomensverdeling is ‘voor hetzelfde geld’ voor meer mensen geluk weggelegd.

Vervuilende uitgaven
Daar komt nog iets bij. Niet alleen is de geluksbevorderende werking van geld als het naar de ondergemiddelde inkomens vloeit vele malen sterker dan wanneer een topinkomen een bonus incasseert, mensen met bovengemiddelde inkomens geven dat vele geld, waarvan ze niet eens extra gelukkig worden, over het algemeen uit aan producten die een groot beslag leggen op onze leefomgeving en veelal een enorme aanslag plegen op planeet aarde. SUV’s en vliegreizen voor verre vakanties, airconditioning in de zomer, skivakanties in de winter – in alle jaargetijden is hun ecologische voetafdruk te groot om het met z’n allen op planeet aarde vol te houden.
Daar staat tegenover dat gezinnen met lagere inkomens hun geld juist voor het grootste deel besteden aan basale goederen en diensten: eten, drinken, wonen, kleding; allemaal dingen die vooral de lokale economie ten goede komen. Het zou mooi zijn als de lage inkomens de beschikking krijgen over wat meer financiële armslag, zodat zij zich meer mens- en milieuvriendelijke uitgaven kunnen veroorloven. Dan is er bijvoorbeeld geld voor biologisch voedsel in plaats van de kiloknaller, voor kleding uit de eerlijke handel en voor isolatie van het huis (of zelfs voor zonnecollectoren op het dak).

Met zijn allen beter af
Door de inkomens te nivelleren zorgen we er dus voor dat we met z’n allen maximaal geluk voor ons geld krijgen. Bovendien voorkómen we er veel milieubelastende activiteiten mee en bevorderen we weloverwogen consumptie. Mijn conclusie is dat we bij een zo gelijkmatig mogelijke inkomensverdeling met z’n allen beter af zijn.

 

Een geredigeerde versie van dit bericht is gepubliceerd in Waterstof nr 64: http://www.waterlandstichting.nl/?p=artikelen&s=bekijken&id=1851

 

Noten:

(1)  Daniel Kahneman en Angus Deaton: ‘High income improves evaluation of life but not emotional well-being’, Proceedings of the National Academy of Sciences Early Edition, september 2010: http://www.pnas.org/content/107/38/16489

Zie de bespreking door Elmar Veerman: Maakt geld gelukkig? op Wetenschap24.nl:
“Bij arme mensen is het simpel. Het effect van geld op deze twee vormen van geluk is bij hen behoorlijk rechttoe-rechtaan. Meer geld betekent in beide opzichten meer geluk, of eigenlijk is het eerder omgekeerd: geldgebrek leidt tot misère en ontevredenheid. Dat is weinig verrassend en al lang bekend. Maar bij hogere inkomens gaan de twee vormen van geluk uit de pas lopen, schrijven de twee geluksonderzoekers in Proceedings of the National Academy of Sciences.

Boven de 75.000 dollar per jaar, net ietsje meer dan het gemiddelde gezinsinkomen in de VS, heeft geld geen invloed meer op het emotionele welbevinden, terwijl de levenstevredenheid nog wel toeneemt.”
Bron: http://www.wetenschap24.nl/nieuws/artikelen/2010/september/Maakt-geld-gelukkig.html

(2)  In; Edwin Kreulen, We meten onze rijkdom af aan het salaris van de buurman, Trouw 13 november 2012 http://www.trouw.nl/tr/nl/4504/Economie/article/detail/3347203/2012/11/13/We-meten-onze-rijkdom-af-aan-het-salaris-van-de-buurman.dhtml

(3)  Voor twijfel aan (empirisch bewijs voor) het verband tussen inkomensgelijkheid en geluk zie bijvoorbeeld de ‘factcheck’ in de rubriek next.checkt van de uit het recente verkiezingsprogramma van GroenLinks gedestilleerde uitspraak ‘In landen met minder inkomensongelijkheid, zijn mensen gemiddeld gelukkiger dan in landen met meer inkomensongelijkheid’:

‘De onderzoeken naar de invloed van inkomensongelijkheid op geluk spreken elkaar tegen. De Rotterdamse ‘geluksprofessor’ Ruut Veenhoven concludeerde uiteindelijk dat inkomensongelijkheid een licht positief effect heeft op het gemiddelde geluk in een land. Maar zijn resultaten verschillen per regio, wat volgens Veenhoven mogelijk komt door de beperkte hoeveelheid onderzoeksgegevens. Al met al vinden wij het wetenschappelijke bewijs voor een gunstig effect van inkomensongelijkheid op geluk te mager.’

In ‘Meer geluk en gezondheid bij gelijker inkomen’
http://www.nrcnext.nl/blog/2012/08/01/next-checkt-meer-geluk-en-gezondheid-bij-gelijker-inkomen/

Daar staat bijvoorbeeld het standpunt van de Engelse econoom Layard, auteur van Happiness, tegenover:

‘Uit deze gegevens blijkt dat er in rijke, westerse landen niet of nauwelijks nog een relatie bestaat tussen het inkomen en het geluk. De volkswijsheid dat ‘geld niet gelukkig maakt’ vindt zo steeds meer empirische onderbouwing, meer geld draagt in ieder geval steeds minder bij aan ons geluk. De Engelse econoom Layard wijst er in zijn boek Happiness op dat de tevredenheid van mensen over het eigen inkomen sterk afhangt van het inkomen van de buurman. Het is daardoor vooral het relatieve inkomen dat telt.’

In: Rens van Tilburg, ‘Groei van geluk’, De Helling, 2006, nr. 4: http://bureaudehelling.nl/artikel-tijdschrift/groei-van-geluk (onder het tussenkopje ‘Geluk’)

(4)  ‘Wie even afstapt van de toch problematische gelukscijfers, en inkomensongelijkheid afzet tegen beter meetbare indicatoren die veel met geluk te maken hebben, moet het toch opvallen: hoe ongelijker de inkomens hoe groter de kindersterfte, hoe meer psychische aandoeningen, hoe meer overgewicht, hoe meer drugsgebruik, hoe meer tienerzwangerschappen, hoe hoger de schooluitval, hoe meer geweld, hoe meer gevangenen en hoe lager de sociale mobiliteit en het vertrouwen in elkaar. En Amerika (maar ook Australië) doet het daarin gewoon echt slechter dan Nederland, laat staan de ‘gelijkere’ Scandinavische landen.’

Bron: Paul Teule, Inkomensongelijkheid en geluk
http://sargasso.nl/factcheck-factcheck-inkomensongelijkheid

(5)  A recent report confirms empirically the impression we have formed – that the general public is averse to the high levels of inequality in very unequal countries. In a random sample of more than 5,500 Americans, researchers from Duke and Harvard Universities investigated views of the distribution of wealth (rather than income) in society. People were shown three pie charts illustrating three different distributions of wealth – one in which each fifth of the population got the same, another that showed (unlabelled) the distribution of wealth in the United States and another (also unlabelled) based on the distribution in Sweden.
Ninety-two per cent said they would prefer to live in a society with the Swedish distribution – and the percentage only varied from 89 to 93 per cent depending on whether they were rich or poor, Democrats or Republicans. When asked what they thought the distribution of wealth is in the US, the average estimate was that the richest 20 per cent of Americans control 59 per cent of the wealth. In reality, they control 84 per cent. Asked what they thought the ideal distribution would be, people preferred the top 20 per cent to have 32 per cent of all wealth.
In: The Spirit Level by Richard Wilkinson and Kate Pickett, Penguin 2009, geciteerd uit de samenvatting op: http://www.newstatesman.com/society/2010/11/inequality-social-health-essay

(6) Haagse Post 25 augustus 1973. Tinbergen pleitte voor een norm voor de verhouding tussen het minimum- en het maximuminkomen van 1:5. Deze ‘Tinbergen-norm’ werd door het kabinet-Den Uyl als leidraad genomen voor de beloningsverhoudingen binnen de (semi)overheid.
Zie ook: Jan Pen en Jan Tinbergen, Naar een rechtvaardiger inkomensverdeling, Amsterdam/Brussel (Elsevier) 1977.

De schoolstrijd is nog niet afgelopen

Posted in gemeenteraad Zwolle by patrickpolitiek on december 19, 2012

Het laatste debat van het jaar in de Zwolse raad ging over een poging om een lokaal steuntje in de rug te geven aan een initiatief in de Tweede Kamer om geen vergoeding voor leerlingenvervoer meer te betalen aan ouders die om godsdienstige of levensbeschouwelijke reden ervoor kiezen om hun kind naar een basisschool ver van huis te sturen. Hoewel alle woordvoerders daar heel gewichtig en principieel over deden was dat natuurlijk gekrabbel in de marge.

Artikel 23
Iedereen wijdde plechtige woorden aan grondwetsartikel 23 en waakte er zorgvuldig voor de ‘vrijheid van onderwijs’ zelf ter discussie te stellen. Maar daar gaat het ten principale natuurlijk wel om! Dat artikel geeft ouders namelijk het recht om hun kinderen tientallen uren in de week te laten indoctrineren. Let wel: op kosten van ons allemaal. Mijns inziens kan geen weldenkend mens daar voor zijn, serieus menen dat zoiets de betiteling ‘vrijheid van onderwijs’ verdient en als grondrecht het verdedigen waard is.

Recht op onderwijs
In de grondwet hoort het recht vastgelegd te zijn dat kinderen recht hebben op onderwijs dat hen in staat stelt volop deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Kinderen moeten met een afdoende hoeveelheid kennis en vaardigheden worden voorbereid op het leven als volwaardig burger. Je kunt daar allerlei eisen aan stellen: kinderen moeten weten hoe de wereld in elkaar zit naar de actuele wetenschappelijke inzichten, zij moeten zich begrijpelijk kunnen uitdrukken, liefst in meer dan alleen de eigen taal, ze horen bekwaam genoeg te zijn voor hun eerste baan, te begrijpen hoe onze democratie werkt en ga zo maar door. Maar om als volwassenen goed te kunnen meedraaien in de wereld hoeven kinderen niet zo nodig volgestopt te worden met ideologie of godsdienst. En zeker niet betaald uit de algemene middelen.

Indoctrinatie
De ‘vrijheid van onderwijs’ zoals die in ons land bijna een eeuw is opgevat, komt erop neer dat ouders het recht hebben gekregen hun kinderen vanaf 4 jaar alleen te confronteren met één bepaald wereldbeeld. Kinderen blijven in het ergste geval, misschien wel in veel gevallen, verstoken van kennis over andere manieren van denken en zelfs van algemeen aanvaarde wetenschappelijk kennis (denk aan het creationisme). Ik kan dat niet anders zien als een recht op systematische indoctrinatie. Je zou in een aantal gevallen zelfs het woord hersenspoeling kunnen gebruiken. Het gaat immers om kinderen die gezien hun leeftijd nog niet zelfstandig in staat zijn op een andere manier aan kennis te komen.

Schoolstrijd
Dit bizarre recht op ideologisch onderwijs op kosten van de overheid hebben ‘confessionelen’ – het ging begin twintigste eeuw om katholieken en protestanten, tegenwoordig zijn er onder meer ook moslimscholen en anthroposophische scholen – in de grondwet vastgelegd weten te krijgen door halsstarrig het algemeen kiesrecht tegen te houden. Dit staaltje van politieke chantage resulteerde na een jarenlange ‘schoolstrijd’ in de koehandel van de vorige eeuw, door de pvda-woordvoerder wel heel eufemistisch ‘elkaar wat gunnen’ genoemd (zie http://zwolle.pvda.nl/nieuws/nieuws/2012/12/leerlingenvervoer.html). De liberalen en sociaal-democraten ‘kregen’ het algemeen kiesrecht (tja, daar waren de gelovigen namelijk niet zo’n voorstander van!), de confessionelen de gelijke bekostiging tussen openbare en ‘bijzondere’ scholen. Heel bijzonder inderdaad. Kijk maar eens hoe ze dat in de rest van de westerse wereld hebben geregeld.

Weg met de ‘vrijheid van richting’
Om deze anomalie die nu al bijna een eeuw duurt, recht te zetten – dáár moet voor worden gestreden, in de arena’s van onze democratie en met de wapens van het woord. De vergoeding van het vervoer van leerlingen naar een school van de signatuur die de ouders voorstaan, is maar een afgeleide. De bekostiging van scholen die hun bestaansrecht menen te ontlenen aan een bepaalde ‘richting’ (art 23 lid 5) moet uit de grondwet worden geschrapt. De schoolstrijd is in mijn ogen nog niet ten einde. Er is hooguit sprake van een langdurig bestand, een toestand waaraan mensen zo gewend zijn geraakt dat het hun nauwelijks meer opvalt dat het eigenlijk heel vreemd is. Wie erover gaat nadenken komt al gauw tot de conclusie dat we dit in de eenentwintigste eeuw niet meer moeten willen.