Drie keer links
Zaterdag 14 januari openden de drie linkse partijen gezamenlijk het jaar. GroenLinks, PvdA en SP willen alle drie ‘een ander Nederland’. We willen samen “slim, solidair en ‘groen’ investeren” in ons land om de crisis te bestrijden.
Juist onder het meest rechtse kabinet sinds Van Agt-Wiegel ligt het voor de hand om alle linkerhanden ineen te slaan. Samen staan we sterk en zo. Hoe ver moet zulke samenwerking nou gaan? Eén sterk links alternatief lijkt aanlokkelijk. En er is veel voor te zeggen. Maar is het tactisch wel handig?
Eerst maar eens wat er allemaal vóór te zeggen valt. De drie partijen die zichzelf gewoon links durven te noemen lijken elkaar in elk geval prachtig aan te vullen.
De SP spreekt de taal van de gewone mensen, niet alleen van de Nederlanders die spreekwoordelijk hard werken, maar zeker ook van de mensen die van een uitkering rond moeten komen. SP-ers klagen steen en been over alles wat er mis is en mis gaat in de samenleving en verwoorden daarmee precies hoe veel mensen erover denken. PVV-stemmers die hun hersenen gebruiken, zien dat de partij van hun eerdere keuze hen nu naait met de miljardenbezuinigingen die ze beginnen te voelen en stappen over naar de SP.
De PvdA heeft meer dan de andere twee de regenten in de gelederen die het land, de provincie of de stad kunnen besturen op grond van hun kennis en ervaring. De term ‘regent’ bedoel ik in dit verband uitdrukkelijk niet pejoratief. Oorspronkelijk zijn regenten immers de eerste bestuurders die hun positie niet bekleedden op grond van hun afkomst, maar op basis van hun verdienste. In een meritocratie zitten veel van de PvdA-bestuurders volkomen terecht op het pluche. Hun taal spreekt de kiezers wel niet meer zo aan, maar is wel de taal waarmee je de dingen gedaan krijgt.
En GroenLinks ten slotte is de ideeënpartij zonder macht die het meest op een ‘volhoudbare’ toekomst is gericht. Wij kunnen op links de nuance inbrengen, de horizon verleggen, creatieve ideeën aandragen en de multiculturele samenleving verdedigen. Wij spreken het nadenkende deel der natie aan. Als we heel erg ons best doen misschien ook nog wel de activisten en de anarchisten en de pacifisten voor zover ze zich niet allang moedeloos van de parlementaire democratie hebben afgewend.
Tussen haakjes. Op landelijk niveau is een nieuwe linkse eenheid zelfs een uitkomst voor de drie huidige politieke leiders. Roemer is de gedroomde voorman in de campagne, die de rechtse drammers en bezuinigingsbulldozers alle hoeken van de Kamer laat zien. Cohen komt ongetwijfeld veel beter tot zijn recht als minister-president dan als parlementariër. En wij zijn verlost van stuntelende stekkerdoosstukjes.
Het is echter niet moeilijk om de problemen binnen de linkse drie-eenheid te zien aankomen, zeker als het sentiment ‘anti-rechts’ zijn centripetale kracht op den duur verliest. Want als de SP bijvoorbeeld zegt wat mensen erover denken, betekent dat: ‘de hoge heren zorgen alleen maar goed voor zichzelf’ en ze bedoelen daarmee nou precies de bestuurders waar de PvdA hetzelfde patent op heeft als het CDA.
Die PvdA-bestuurders zijn in Zwolle bijvoorbeeld niet te beroerd om in een college met de VVD en het CDA (en de ChristenUnie trouwens) te schipperen om de ‘kille bezuinigingen’ (Cohen, Roemer en Sap) van het kabinet te verstouwen. Zij bezuinigen lekker op de voorzieningen die de last voor de zwakkere schouders in onze stad nog een beetje dragelijk maakten, maar willen niet eens nadenken over een kleine lastenverzwaring voor de Zwolse huizenbezitters.
GroenLinks zal overigens in een constellatie terecht komen waarin duurzaamheid vooral geweldig is omdat (of in het ergste geval: alleen maar als) het geld oplevert, kunst omdat het de economie stimuleert en multiculti omdat het werk toch door íemand gedaan zal moeten worden.
Ik zie een doorslaggevende reden om de samenwerking beslist niet te laten, maar vooral niet te ver te voeren. Die reden is van tactische aard, ik geef het toe. Want principieel zijn de onderlinge verschillen op links natuurlijk kleiner dan de kloof met rechts (ik blijf maar even via de links-rechts-lijn redeneren om dit verhaal niet te gecompliceerd te maken, al ken ik natuurlijk ook de kwadranten en de hoefijzers die de politieke werkelijkheid wel wat beter of in elk geval genuanceerder verbeelden en bijvoorbeeld laten zien dat D66 en VVD op sommige terreinen dichter bij GroenLinks staan dan de SP).
In de media-democratie waarin we ons nu eenmaal bevinden, krijgen drie partijen grosso modo drie keer zo veel aandacht als één partij. Die vuistregel gaat niet in alle opzichten op, maar bijvoorbeeld bij het grote ‘lijsttrekkersdebat’ heb je meer inbreng als er drie linkse partijleiders hun geluid mogen laten horen dan wanneer we maar met ééntje vertegenwoordigd zijn.
En zoals je christelijk-rechts, ondernemers-rechts en dom-rechts hebt, kun je maar beter ook alle toonaarden van het linker orkest laten horen. Want in de werkelijkheid waarin de kiezer leeft op het moment waarop hij in het stemhokje staat, kan een CDA-er zomaar vertrouwen krijgen in de PvdA-voorman, een PVV-er zijn hoop stellen op de SP en een VVD-er zomaar kiezen voor een duurzame variant van het liberalisme.
Drie keer links is dus gewoon meer dan één keer links.
Thorbeckedebat brengt me ver af van Thorbecke
Johan Rudolph Thorbecke, de grondlegger van de parlementaire democratie in Nederland, werd op 14 januari 1798 geboren in Zwolle. Daarom bestaat er in onze stad een Stichting Thorbecke Zwolle, die jaarlijks een Thorbeckedebat organiseert. Deze debatten worden georganiseerd om burgers en overheid dichter bij elkaar te brengen en de kwaliteit van het openbaar bestuur te vergroten. Dit jaar ging het debat over het bestaansrecht van ons huidige politieke bestel. Het selecte gezelschap Zwollenaren dat bijeen was gekomen in de raadszaal, kreeg twee korte betogen voorgeschoteld van prof. dr. Rudy Andeweg, hoogleraar Emperische Politicologie aan de Universiteit van Leiden en van prof. dr. Gabriël van den Brink, hoogleraar Maatschappelijke Bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg, waarna men ‘in debat’ ging (lees: vragen mocht stellen aan de inleiders) onder leiding van dr. Jan Drentje, historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen, bestuurslid van de organiserende stichting en Thorbecke-kenner.
De discussie laait steeds weer op
De hoofdvraag was dus of ons politieke bestel, dat werd ontworpen in de negentiende en vroeg twintigste eeuw, nog wel bij de samenleving van vandaag de dag en bij de huidige politieke situatie past. Voor een korte samenvatting van de discussie vorige maand in Zwolle kunnen we net zo goed een artikel in de NRC uit 2004 (!) aanhalen over een voorstel van D66-minister De Graaf van en voor Bestuurlijke Vernieuwing.
Toen zei Andeweg ook al: ‘,,Politici zijn bang voor de kloof”, maar ,,die is er gewoon niet”. In Zwolle liet hij dat aan de hand van een veelheid aan cijfers uit de recente doorlichting van onze democratie door vijftig wetenschappers nog eens zien. Ook de opvattingen van zijn opponent laten zich prima weergeven met de woorden uit 2004. ‘Volgens de socioloog Gabriël van den Brink is de kloof er wel (…) Hij ziet als ‘het ,,fundamentele probleem”, dat er een aparte politieke klasse is die in een andere belevingswereld verkeert dan de burgers. (…) Een ander kiesstelsel is daarom ,,een marginale verandering”, zolang de informatiestromen waarop besluiten worden gebaseerd niet veranderen, meent Van den Brink. Daarvoor moet [je] niet alleen het kiesstelsel [veranderen], maar ook burgers op een andere manier directe invloed geven.’
Structuur versus cultuur
Andeweg stelt dus structurele veranderingen in het systeem voor; Van den Brink ziet meer in een verandering van de politieke cultuur.
Andeweg vindt het bestaande bestel te veel gericht op afspiegeling en consensus. Dat was handig in de tijd van de verzuiling, maar past niet meer bij de huidige individualisering. Kiezers willen in toenemende mate invloed op de regeringsvorming. Dat vergt aanpassingen aan het systeem.
Van den Brinks analyse draait om de geloofwaardigheid van politici, die steevast meer beloven dan ze kunnen waarmaken. Hij pleit voor een scheiding tussen bestuur en politiek en voor meer ideologie, dat is meer strijd en in zijn ogen ook meer amusement in de politiek. Verder wijst hij er op dat burgerschap in Nederland weinig om het lijf heeft. Je mag stemmen, maar er is geen opkomstplicht, en je hoeft ‘tussendoor’ nooit een burgerplicht te vervullen in de vorm van militaire dienst of deelname aan een jury(rechtspraak).
Onnodige tegenstelling
Hoewel de beide hoogleraren nadrukkelijk als opponenten werden gepresenteerd bij het debat, is het uit bovenstaande samenvatting hopelijk evident dat er ook een flink raakvlak tussen beider betogen te construeren valt. Zelfs op de tegenstelling tussen structuur en cultuur valt veel af te dingen. Als de houding van politici zou veranderen, zouden waarschijnlijk al snel de staatsrechtelijke hervormingen worden doorgevoerd waarover al decennia wordt gepraat, maar die steeds stuiten op een blokkade van de zittende macht. En invoering van vormen van meer directe invloed van burgers op de politiek leidt nogal wiedes tot verandering van het gedrag van politici.
Maar ook inhoudelijk bevatten beider analyses en de voorgestelde ingrepen waardevolle elementen.
In mijn ogen is het inderdaad niet meer van deze tijd dat je eens in de vier jaar je stem uitbrengt en dat de politici die jou vertegenwoordigen vervolgens vier jaar lang ‘ongestoord’ hun gang kunnen gaan. Dat is geen ‘demokratie’, maar een ‘electorale oligarchie’ zoals Peter Jones in zijn Vote for Caesar het snedig noemt. ‘Niet één oude Griek zou dit hebben beschouwd als iets wat met demokratia te maken heeft.’
Bij de tijd brengen
Het gaat er in een demokratie in de kern om dat de burgers de macht hebben. De omstandigheden en de fysieke en technische mogelijkheden bepalen vervolgens goeddeels de praktische inrichting van het systeem om dat te organiseren. In de oorspronkelijke directe demokratie in Athene was de betrokkenheid van de burgers maximaal en voortdurend. Dat kon ook op die schaal. Maar bijvoorbeeld in de Romeinse republiek was het al gauw fysiek niet meer mogelijk om iedereen daadwerkelijk direct bij de beslissingen te betrekken. Je kon het je als boer in de provincie natuurlijk helemaal niet veroorloven om dagen van huis te gaan om een volksvergadering in het verre Rome bij te wonen. Het vertegenwoordigende systeem was een prima oplossing voor dit probleem, dat zich ook weer voordeed in de tijd dat ons bestel werd ingericht.
Met alle moderne media en communicatiemiddelen is het in onze 21ste-eeuwse variant van demokratie volgens mij wel denkbaar dat de betrokkenheid van de gemiddeld goed geïnformeerde burgers weer veel directer wordt. Het ‘ostrakisme’ (schervengericht) waarmee de Atheense stemgerechtigden zich tussentijds van een gekozen bestuurder konden ontdoen, zou bijvoorbeeld gemakkelijk via internet te realiseren zijn. Ook is het technisch uitvoerbaar om digitaal je stem uit te brengen over elk onderwerp waarover je je maar wilt laten horen. Burgers zijn tegenwoordig vaak – zeker op bepaalde onderwerpen – net zo goed geïnformeerd als ambtenaren, bestuurders en parlementariërs. Dus waarom zou je die kennis niet benutten als je als samenleving beslissingen voorbereidt en neemt?
Ik zeg niet dat de we alle technische mogelijkheden die we hebben per se moeten inschakelen. Ik vind wel dat we ons systeem niet langer moeten laten begrenzen door de beperkte mogelijkheden uit het verleden.
Betrokkenheid
Dergelijke structurele aanpassingen geven burgers niet alleen meer directe invloed, maar vragen ook veel meer directe betrokkenheid van hen. Een betrokkenheid die politici en bestuurders scherp zal houden. Want Van den Brink heeft van zijn kant natuurlijk volkomen gelijk met zijn analyse dat de representatieve demokratie (in de landelijke politiek) een nieuw ‘regentendom’ heeft voortgebracht, een politieke klasse met eigen mores en een eigen cultuurtje, die alleen al daardoor moeite heeft om nog goed over te komen bij het publiek van kiezers. En de polarisatie van de afgelopen jaren in de landelijke politiek bewijst wel zijn stelling dat als het ideologisch gehalte van het debat en de public performance van politici toeneemt, politiek veel meer gaat leven onder de burgers.
En Thorbecke?
Terugkijkend op het Thorbeckedebat van dit jaar constateer ik dat het me flink aan het denken heeft gezet ‘om burgers en overheid dichter bij elkaar te brengen’. Maar waar Thorbecke vooral moeite deed om de macht van de koning te beperken ten faveure van de aristocratie uit zijn dagen, daar gaat het nu om een overheveling van de macht van de oligarchen naar de eigenlijke dèmos. Bovendien betwijfel ik stellig of Thorbecke iets zou begrijpen van de oplossingen die ik voorsta, laat staan dat hij er begrip voor zou kunnen opbrengen. Zo bezien heeft het Thorbeckedebat ertoe geleid dat ik ver van Thorbecke ben ‘afgedwaald’.
Waarom ik nog bij GroenLinks zit
‘Zo dus jij zit nog wel steeds bij GroenLinks’ – ironisch grijnzend schoof een voormalig partijlid en trouw bezoeker van de ledenvergaderingen aan, toen ik deze zomer tijdens een van de activiteiten bij ons in de wijk aan de bar van ‘sociaal-culturele vereniging’ Eureka aan het Assendorperplein een biertje zat te hijsen. Hij was een van de mensen voor wie de naïeve opstelling van de Kamerfractie rond de ‘politietraining’ in Kunduz de druppel was geweest die terechtkwam op een emmer vol onvrede over de vrijzinnige koers van de landelijke partij. Het kostte onze afdeling maar liefst drie oud-fractievoorzitters en een aantal andere leden, van wie sommigen net als mijn bargenoot van die middag al wel eens eerder hadden aangegeven bij landelijke verkiezingen socialistisch te stemmen.
‘Ja, ouwe overloper,’ riposteerde ik, ‘ik ben nog steeds lid, actief in de raadszaal en elders in de stad.’ We waren het snel eens over de klunzige Kunduz-aanpak en de verstrengeling van Mariko Peters (nee niet van belangen, maar wel van wat anders, meenden we als mannen met bier aan de bar). En zo bleef de ontmoeting toch nog gezellig. ‘Ik schrijf wel eens in een column waarom ik desondanks bij GroenLinks blijf’, zo hield ik me een vervelende woordenwisseling van het lijf. Ik had gewoon zin in een vrije middag.
Hier is die dan.
Direct
Toen ik een klein decennium geleden besloot politiek actief te worden heb ik heel bewust gekozen voor de lokale politiek. Ik wil mijn steentje bijdragen aan het verbeteren van mijn directe leefomgeving en die van onze en alle kinderen. Hier in de stad is demokratie nog lekker ‘direct’.
Ik fiets naar de andere kant van de stad om met een bewoner ter plekke te bekijken wat de problemen zijn bij hem om de hoek bij het kruispunt van een hoofdfietsroute in de wijk met een auto-ontsluitingsweg en bel met de ambtelijk projectleider om de complicaties die ik heb ontdekt door te spreken. Ik ga op de Grote Markt in discussie met iemand van de stichting Levende Stadsgeschiedenis over het gebruik van eigentijdse architectuur in onze oude binnenstad, die sinds de Middeleeuwen in een eeuwenlange opeenvolging van bouwstijlen zijn huidige karakter kreeg. Ik speel met mijn kinderen in het stadspark en snak naar de komst van een horecapaviljoen met een terrasje aan de parkvijver, maar ik ken en snap heel goed de bezwaren van omwonenden als de gemeente aanstuurt op een soort partycentrum.
Hier loop je tijdens een wijkplatform de mensen die zich net als jij druk maken over het reilen en zeilen in hun woonomgeving tegen het lijf. Hier word je in de raadszaal rechtstreeks aangesproken door leden van een actiecomité die net als wij het buitengebied rond de bestaande stad groen willen houden. Hier zie je de gevolgen van de beslissingen die je neemt met eigen ogen: er wordt een fietsstraat aangelegd waar je je jaar na jaar sterk voor hebt gemaakt, er worden ondanks niet-in-mijn-voor-en-achtertuin-bezwaren toch woningen gebouwd op een jarenlang leeg gebleven veldje, zodat het beleid van ‘inbreiding’ in de bestaande stad realiteit wordt, en een prachtig stukje ‘binnentuin’ in het zuidelijke stadsdeel blijft na jaren strijd groen en wordt toegankelijk gemaakt voor het publiek.
Daarom ben ik nog steeds actief in de lokale politiek.
Onze fractie werkt systematisch aan een duurzaam, groen, sociaal én ‘kleurrijk’ Zwolle en daarin onderscheiden we ons van alle andere partijen in de stad.
Geen enkele partij is tégen Zwollenaren met een kleurtje, roze driehoek of afwijkende leefstijl, maar GroenLinks Zwolle strijdt ronduit vóór behoud van de multiculturele samenleving en pleit niet voor integratie maar voor ‘samen-leven’. En bij ‘samen’ horen voor ons vanzelfsprekend ook mensen met een fysieke beperking of mensen die om welke reden dan ook zichzelf tijdelijk, langdurig of levenslang niet kunnen redden.
Sommige partijen – hier in de stad ook linkse partijen – zien in cultuur een makkelijke bezuinigingsprooi, maar GroenLinks wijst op de intrinsieke waarde ervan en op de meerwaarde van cultuur in de breedste zin van het woord voor een levendige, aantrekkelijke en (ook economisch) bloeiende stad. Ook cultuur zorgt voor een ‘kleurrijke’ stad.
Sociaal vindt elke partij zichzelf. Maar bij GroenLinks strekt solidariteit zich ook in één adem uit over de rest van de wereld.
Alleen GroenLinks springt steeds op de bres voor biodiversiteit, een schone lucht en het kleine en het grote ‘groen’ in en om de stad, of het nu gaat om mussenhagen, bermen die beter door schapen dan door machines kunnen worden gemaaid of complete uitloopgebieden in de stadsrand waar de stadsbewoners schone lucht en rust opsnuiven.
En – last but not least – voor GroenLinks is duurzaamheid geen marketing-imago waar geld mee te verdienen valt, maar gaat het er echt om dat onze planeet het volhoudt (zonder planet geen people, laat staan profit, zeg ik altijd maar, als ‘de drie P’s’ weer eens in evenwicht moeten zijn volgens de beleidsmakers).
Daarom zit ik nog steeds bij GroenLinks.
Ennuh… als je dit nou leest, hè, moet je dan eigenlijk ook niet toegeven: eigenlijk was het fout om jullie in de steek te laten!
Het volk bestaat wel
‘Het volk bestaat niet’ – onder die titel geeft Dick Pels zijn analyse van het fenomeen populisme en zet hij zijn oplossing voor het probleem uiteen: vernieuwing van de demokratie. Hoewel ik zijn analyse van de kwaal wel overtuigend vind, kan ik hem wat zijn optimistische recept betreft alleen maar helpen hopen. In de klassieke oudheid hebben denkers ervoor gewaarschuwd dat demokratie de neiging heeft uit te lopen op een dictatuur. Ik ben bang dat we tegenwoordig de eerste symptomen meemaken van een nieuwe roep om een ‘sterke man’.
Nationalisme als uitlaatklep van frustratie
Maar eerst maar eens de analyse van Pels. Die bevat vele rake observaties en denklijnen. Zo wijst hij terecht op de kloof tussen winnaars en verliezers in ‘een samenleving waarin ieder voor zich moet concurreren, presteren en slagen.’ De verliezers zitten met een enorme frustratie en een laag zelfrespect. Nationalisme is een ‘eenvoudige manier om dit gevoel van vernedering om te zetten in trots’, omdat het immers niet afhankelijk is van iemands eigen prestaties. We hebben dus te maken met een ‘bijproduct van de diploma-demokratie’ (term van Mark Bovens). Een blijvertje, als dat waar is, en geen verschijnsel dat vanzelf wel overwaait.
Het volk bestaat niet
Een andere vaststelling waar Pels groot gelijk mee heeft is dat de zogenoemde volkswil door de ‘handige marketinginspanning’ van de populisten wordt gecreëerd en vormgegeven. Door het onbehagen – dat er wel degelijk is, overigens – te benoemen en uit te vergroten en te exploiteren voor zijn eigen politieke doeleinden, produceert de populist uit bepaalde geluiden en opvattingen een wil van ‘het volk’. ‘Het volk van de populisten bestaat dus niet zonder de populisten zelf.’ In die zin klopt de titel van Pels’ boek volkomen. Het volk bestaat alleen omdat een zelfbenoemde woordvoerder zegt dat het er is.
Wisselwerkingdemokratie
Ik zal hier niet het hele boek parafraseren, al is de verleiding groot. (Hieronder geef ik een paar hyperlinks naar recensies voor wie meer wil weten alvorens het boek zelf te gaan lezen. Maar dat moet je gewoon doen eigenlijk. Laat je niet afschrikken door Vullings lelijke woorden aan het begin van zijn recensie. Je wordt er vast wijzer van. Of het zet je althans aan het denken.)
De kern van Pels’ betoog begint bij een sublieme observatie van Machiavelli: je moet een vorst zijn om de aard van het volk helemaal te begrijpen en je moet een gewoon burger zijn om de natuur van vorsten volledig te snappen. Of, abstracter gezegd: alle politiek is standpuntgebonden. Daarom is er wisselwerking nodig in de politiek en daarom is er ook een wisselwerkingdemokratie nodig. Het volk heeft een politieke elite nodig om de boel te leiden. En die politieke elite heeft de correctie van het populisme nodig om binding te houden met het volk en om te voorkomen dat ‘zij verandert in een regentesk establishment’. Kort door de bocht samengevat is dit het argument waarmee Pels zijn oplossing onderbouwt: meer directe invloed van ‘het volk’ als correctie op de politieke elite die anders te veel zijn eigen gang gaat.
(Tussen twee haakjes: het volk bestaat dus – ook in het denken van Pels, al noemt hij het niet zo – wel als ‘gewone burgers die niet tot de politieke elite behoren’.)
Media en personen
ik hoef er waarschijnlijk niet zo veel woorden als Pels gebruikt aan te wijden, om duidelijk te maken dat een voldoende wisselwerking in de demokratie des te noodzakelijker is in het mediatijdperk en – daarmee samenhangend – een personendemokratie. Net als populisten een volk creëren dat er in werkelijkheid niet in die vorm is (niet iedereen vindt precies hetzelfde als de denkbeeldige Henk & Ingrid), zo scheppen de media een schijnrealiteit, terwijl ze suggereren ‘alleen maar’ te registreren (maar zonder de vraag van de journalist zou de politicus – denk aan Pim Fortuin – zijn uitspraak nooit hebben gedaan).
Utopie
Pels is dus in feite optimistisch over de rol van het populisme in de samenleving. Hij ziet kans ‘de rauwheid van de tegenstem’ te benutten ten gunste van een beter functionerende demokratie. Aldus schildert hij een ‘voldragen wisselwerkingdemokratie’ waarin een zelfbewuste elite met een vrijzinnige houding die zichzelf durft te relativeren, populisten tegenover zich vindt die een ‘anarchistisch en anti-establishment sentiment’ uitdragen en waarin een anti-elitair ‘nee’ in een referendum een legitieme plaats heeft in het politieke bestel.
Het is te mooi om waar te zijn. Hier bedenkt de socioloog een utopie. Ik wou dat het waar was.
Misschien ben ik te pessimistisch, maar ik moet steeds denken aan de theorie van de cyclus van regeringsvormen die in de klassieke oudheid is geconstrueerd en waarin de demokratie uiteindelijk uitmondt in een dictatuur. De geschiedschrijver Polybius (tweede eeuw voor onze jaartelling) muntte er de term anakyklosis voor, lastig te vertalen, maar het is iets als een ‘regressieve kringloop’, een ‘negatieve spiraal’ of (te) simpel gezegd ‘terug naar af’. In het kort komt het idee hierop neer dat elke ideaaltypische staatsvorm, de monarchie, de aristokratie en de demokratie, uiteindelijk altijd zal ontaarden in een negatieve variant ervan. De alleenheerser wordt op den duur tyranniek, de elite regentesk en de brave burgers ontaarden in een verwende massa die als ze haar zin niet krijgt agressief wordt. Het eind van het liedje is dat er een leider opstaat die het volk in goede banen leidt en zich allengs ontpopt tot een alleenheerser, terug bij af.
We vinden dit idee in rudimentaire vorm ook bij Herodotos (vijfde eeuw voor onze jaartelling) waar een discussie over de beste regeringsvorm wordt afgerond met de conclusie dat de monarchie de andere vormen overtreft. Een argument daarvoor is dat in een demokratie om de criminaliteit die nu eenmaal ontstaat te bestrijden, uiteindelijk ook een sterke man als enige oplossing wordt gezien.
Natuurwet?
Het is niet moeilijk om de parallellen te zien met de ontwikkelingen die leidden tot de komst van een Napoleon, een Hitler of recenter een Berlusconi en bij ons Geert Wilders. Maar zijn zulke ontwikkelingen onontkoombaar? Polybius spreekt van een ‘normale kringloop van constitutionele omwentelingen en de wijze waarop regeringsvormen nu eenmaal van nature veranderen en terugkeren tot hun oorspronkelijke stadium’.
Aristoteles (vierde eeuw voor onze jaartelling) daarentegen heeft meer oog voor specifieke omstandigheden van de ene of de andere staat. Het is in zijn ogen geen automatisme dat het ene regime ontaardt in het andere. Dat laat ruimte voor oplossingen zoals Dick Pels die bepleit.
Hoop
En zowel Polybius als in zijn kielzog Cicero (eerste eeuw voor onze jaartelling) ziet heil in een ‘gemengde constitutie’ waarin monarchale, aristokratische en demokratische elementen elkaar in balans houden. Hun bewijs is de Romeinse republiek. Onze parlementaire demokratie heeft daar veel van weg: een Koning, een elite in het parlement en verkiezingen waarin het volk zijn voorkeur uitspreekt. Dat aan deze constitutie het een en ander te verbeteren valt is duidelijk. Of de suggesties die Pels aandraagt het afglijden naar de dictatuur van de grote bek kunnen voorkomen, valt te bezien.
Deze zomer hebben Koen van Bremen, Albert jan Kruiter, Eelke Blokker en Harry Kruiter de website http://publiekewaarden.nl gelanceerd. Kruiter schreef al in 2009: ‘De crisis is niet economisch maar democratisch van aard.’ Ik kijk uit naar de resultaten die hun aanpak van het actie-onderzoek opbrengt. Dat levert vast stof op voor een volgende column.
Bronnen:
Dick Pels, Het volk bestaat niet. De Bezige Bij, ISBN 9789023453918. http://www.debezigebij.nl/web/Boek-5/9789023453918_Het-volk-bestaat-niet.htm
Recensies van Het volk bestaat niet:
• Vrij Nederland (Jeroen Vullings): http://www.vn.nl/boeken/non-fictie/het-volk-bestaat-niet-leiderschap-en-populisme-in-de-mediademocratie-dick-pels/
• de Volkskrant (Hans Wansink): http://www.volkskrant.nl/wca_item/boeken_detail/453/178086/Het-volk-bestaat-niet.html
• GroenLinks Magazine, mei 2011, pagina 20 (Simon Otjes): http://magazine.groenlinks.nl/node/67471.
Ook bereikbaar via het artikel ‘Vloeken in de linkse kerk: populisme nodig’: http://magazine.groenlinks.nl/personendemocratie
De cyclus der staatsvormen
ik ben grote dank verschuldigd aan mijn voormalige collega-docent klassieken Ludwich Verberne die mij geweldig heeft geholpen door de bronnen van het denken over staatsvormen in de oudheid op een rijtje te zetten, waar ik het anders had moeten doen met wat van mijn lectuur in de lang geleden tijd in mijn gebrekkige geheugen was blijven hangen. Van het gedegen overzicht dat hij mij stuurde noem ik voor de geïnteresseerde leek hier alleen:
• Herodotus, Historiën 3.80-83
• Aristoteles, Politiek, 3.6-8 en 5.8-9
• Polybius, Wereldgeschiedenis 6.3-6.9
• Cicero, De staat 1.14-70
Polybius’ tekst is in Engelse vertaling op internet te vinden via de klassieke bronnenverzameling Perseus. Er is een Nederlandse vertaling met de titel Wereldgeschiedenis 264-145 v.Chr., van de hand van Wolther Kassies, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep 2007
Voor meer informatie over de genoemde schrijvers en vertalingen van hun werk, zie Oudheid.nl onder Literatuur.
Het milieu van mijn dochter… en de auto van haar vader
‘Papa, mag ik jou interviewen? Ik doe op school een project over het milieu en jij weet daar alles van, want jij zit in de gemeenteraad voor GroenLinks.’ Hoe trots kan een vader zijn, als zijn zevenjarige dochter langs haar neus weg het bewijs levert dat een onnadrukkelijk milieubewuste opvoeding langzaam maar zeker haar vruchten begint af te werpen? Over dat schattige interviewtje straks meer, want ik ben in elk geval zó trots dat ik ook een onnavolgbare tekst van haar muurkrantpresentatie hier in extenso overneem: ‘Het milieu is goed voor het land. als het milieu niet bestond kon ik niet leven. Waaaa het milieu is weg.’ Zo scherp heb ik het in de raadsvergaderingen nog nooit onder woorden gebracht!
Bomen, afval en fietsen
Inger, zo heet mijn dochter, bleek zich goed te hebben voorbereid op het vraaggesprek (dat weliswaar door mijn vriendin op video werd vastgelegd, maar vanwege de onzomerse omstandigheden afgelopen week van zo’n duistere kwaliteit dat u het zult moeten doen met mijn beknopte weergave in woorden). De vragen zouden gaan over verschillende aspecten van onze leefomgeving, zo kreeg ik in een door mij als politicus professioneel afgedwongen voorgesprekje te horen: het aantal bomen in de stad, de hoeveelheid afval die we weggooien en hoe we goed kunnen zorgen voor het milieu.
Voor die eerste twee vragen raadpleegde ik snel de informatiebronnen waar ik als raadslid over beschik en zo kon ik even later melden dat Zwolle een bijzonder groene stad is, waar in de openbare ruimte wel 65.000 bomen staan. Dat heeft onze stad overigens mede te danken aan onze voormalige wethouder Peter Pot, die tijdens zijn ambtsperiode talloze malen de krant haalde als hij weer eens ter gelegenheid van het een of ander een boom had geplant. Zwolle heeft enkele jaren geleden onder meer vanwege al die bomen het predicaat Groenste Stad, eerst van het land en later zelfs van Europa, bemachtigd. Komt u gerust eens langs om het met eigen ogen te aanschouwen. Maar dit allemaal terzijde. In het interview beperkte ik me tot het melden van het zakelijke feit dat Zwolle een lekker groene stad is waar het fijn wonen is voor mensen.
Ook de tweede vraag kon ik mede dankzij mijn bronnenonderzoekje adequaat beantwoorden. Ik lepelde op uitleggerige toon de kilo’s afval op die ik op een spiekbriefje had genoteerd, keurig gescheiden naar de verschillende soorten afval en omgerekend naar een gemiddeld huishouden als het onze van moeder, vader, Inger en grote broer in indrukwekkende getallen. ‘Veel hè?’ voegde ik daar licht moralistisch aan toe, en als opstapje naar de laatste vraag: ‘Maar als je papier, glas, plastic en zo apart wegdoet, kan er nog heel veel opnieuw worden gebruikt.’
De hamvraag was natuurlijk wat we zelf kunnen doen voor onze leefomgeving. Voor de kinderen van groep 3, 4 en 5 die het interview in de klas zouden bekijken beperkte ik mijn antwoord tot drie dingen: naast het al gememoreerde scheiden van je afval, zorgzaam omgaan met planten en dieren en zuinig zijn met energie, bijvoorbeeld door het licht uit te doen als je niet meer op je kamer bent en zo veel mogelijk te fietsen of de trein te nemen in plaats van met de auto gaan.
De auto van de zaak
Dat laatste punt – de auto – daar wil ik het nog even wat uitgebreider over hebben. Want wat wil het geval? Net in dezelfde week waarin ik mijn dochter het aandoenlijke interview gaf, kreeg ik de beschikking over ‘mijn’ auto van de zaak. Dat zit zo.
Begin dit jaar kreeg ik een nieuwe baan, waarvoor ik in het hele land middelbare scholen bezoek. In de arbeidsvoorwaarden die ik eind vorig jaar voorgelegd kreeg, stond vermeld dat ik de beschikking zou krijgen over een auto. Als GroenLinkser leek me dat niet zo’n goed idee. Ik kan toch moeilijk ‘s avonds in de raadszaal staan verkondigen dat het beter is het openbaar vervoer te gebruiken als ik zelf overdag op weg was geweest met een auto? Met name mijn argument dat ook functioneel gezien het reizen per trein flinke voordelen zou kunnen hebben: onderweg werken, niet alleen telefoneren, resulteerde in de afspraak dat ik de eerste maanden zou uitproberen of ik mijn afspraken grotendeels per trein zou kunnen afhandelen.
En zo heb ik de afgelopen maanden talloze uren in de trein doorgebracht, naar Heerlen, Zevenbergen, Schagen… soms nog een stukje met de metro, soms een OV-fiets als navervoer, soms gewoon een kwartiertje te voet. (Niet helemaal toevallig woon ik vlak bij het station in Zwolle, dat scheelt.) En veel van die uren heb ik inderdaad gewerkt, niet het minst ook ter voorbereiding op raadsvergaderingen. Soms kon ik wel een gat in de lucht springen dat ik in werktijd met de trein op en naar kon naar Zuid-Limburg: wat een rust om de stukken goed door te nemen!
Maar, de eerlijkheid gebiedt het te schrijven, toen het aantal afspraken in de loop van de tijd toenam, moest ik steeds vaker mijn toevlucht nemen tot huurauto’s. Juichte ik aanvankelijk nog dat ik op één dag per trein en metro scholen in Rotterdam en Etten-Leur aandeed (beide scholen keurig langs intercitylijnen gesitueerd), al gauw bleek dat ik de randen van Delfzijl, Dordrecht of Nijmegen helemaal niet goed met het openbaar vervoer kon bereiken. En dus kwam toch de auto van de zaak weer in beeld.
Het is een hybride geworden, dat wel natuurlijk. Zo’n Prius waar ook Femke in reed, in dat beruchte campagnefilmpje. Zo’n verantwoorde auto moet toch kunnen voor een GroenLinkser?
Ja, rationeel krijg ik het allemaal wel kloppend hoor. Mijn pleidooi luidde steeds dat mensen hun vervoer niet ‘automatisch’ invullen, maar juist heel bewust moeten kiezen. Lopen, fietsen, openbaar vervoer als standaard, soms de auto als het niet anders kan of gewoon veel handiger is. En alleen bij hoge uitzondering vliegen. Ik ben er nooit voorstander van geweest de auto in de ban te doen, ik ben geen fietsvakantieganger en ik probeer vooral mensen beleidsmatig te verleiden tot fietsen en de nadelen van massaal autogebruik te bestrijden. Hoe minder extreem we ons opstellen, des te meer kans dat mensen onze ideeën overnemen – zo is mijn adagium.
Maar toch… horen wij als politici niet het betere voorbeeld te geven? Ik ben de politiek ingegaan nadat ik door de geboorte van onze zoon, nu bijna elf jaar geleden, ‘levendiger’ dan ooit daarvoor de verantwoordelijkheid voelde om een actieve bijdrage te leveren aan het behoud van onze leefomgeving voor toekomstige generaties. En rijd ik nu eigenlijk niet het milieu van onze nakomelingen te verprutsen, te beginnen met de leefomgeving van mijn dochter, die zich op haar kinderlijk eenvoudige manier al terecht zorgen maakt om het milieu? ‘Als het milieu niet bestond kon ik niet leven.’
Het volk vertegenwoordigen
In Zwolle kennen we de zogeheten beginspraak. Dat suggereert meer dan het in werkelijkheid behelst (typisch politiek, zou iemand kwaadwillend kunnen opmerken). Ik ben er dan ook tamelijk skeptisch over. Niet dat ik iets tegen interactieve beleidsvorming heb, integendeel, maar je moet niet meer beloven dan je kunt waarmaken. Dat bezorgt de politiek maar een slechte naam (daar heb je het al). En hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik tot de overtuiging kom dat de vertegenwoordigende demokratie zo gek nog niet is. Denk me na.
Afwegen
In deze tijd van het jaar krijgt de gemeenteraad traditioneel een paar flinke brokken te verstouwen. Eerst de jaarrekening over het vorig jaar, dan het huishoudboekje van het vastgoedbedrijf (de ‘meerjarenprognose vastgoed’) en vervolgens de meerjarenbegroting van de gemeente, bij ons in Zwolle optimistisch de Perspectiefnota geheten. Dit jaar komen daar de bezuinigingen nog eens bij. De miljoenen vliegen je in zulke stukken om de oren, maar soms blijken die miljoenen opgebouwd uit talloze kleine bedragjes van niet meer dan een paar tienduizenden euri.
Achter al die bedragen zitten beleidsvoornemens, plannen en projecten die concrete gevolgen hebben voor mensen en dieren in de stad, voor instellingen en bedrijven in de stad, voor gebouwen en wegen in de stad, voor plantsoentjes en parken in de stad, voor bomen en beesten om de stad… je snapt het al: te veel om op te noemen eigenlijk. Ik draai nu zo’n zes jaar mee in de gemeentepolitiek en elk jaar weer ben ik onder de indruk van de hoeveelheid goede dingen die we als gemeente voor de stad en haar inwoners verrichten. Maar er blijven altijd nog wensen over, sommige plannen hoeven voor mij weer niet zo nodig en bij sommige voornemens denk ik: best goed dat er geld voor komt, maar ik zou het anders aanpakken. En bij de bezuinigingen net omgekeerd: een aantal voorstellen zijn best verantwoord, een aantal ben ik mordicus tegen en over weer andere kwesties valt te praten.
Nu probeer ik me bij wijze van gedachte-experiment voor te stellen dat we beginspraak plegen op zulke stukken uit de beleidscyclus. Als gemeenteraad trekken we er ongeveer een hele dag voor uit om het eens te worden over een – liefst een beetje consistente – selectie uit al die voornemens en plannen. Het is vaak een hele toer om minstens vier van de acht fracties in de raad achter een voorstel te krijgen. Want ik ben natuurlijk niet de enige die bepaalde ideeën heeft over wat wel en niet in gang moet worden gezet en wat wel en niet door moet gaan.
Het zal wel aan mijn gebrek aan fantasie liggen, maar ik krijg geen concrete beelden bij interactieve beleidsvorming in dit soort gevallen, anders dan iets wat wel omschreven wordt als poolse landdagen. Het mag best zo zijn dat via internet iedere Zwollenaar zijn zegje zou kunnen doen over de wenselijkheid van de uitgaven uit onze gezamenlijke kas, maar mij lijkt het in feite een wonder van efficiëntie om met zijn negenendertigen de begrotingen te bespreken. (Nou, meestal is het in de praktijk nog sterker: eigenlijk zijn alleen de acht fractievoorzitters echt aan het woord, wij van het voetvolk staan de onze met raad en daad bij en proberen steun te verwerven voor onze eigen deelplannetjes, maar het woord voeren, ho maar.)
Er is maar één begin
Voor beginspraak heeft dit gedachte-experiment desastreuze gevolgen. Want aan het begin staat nu eenmaal de toekenning van het geld. Alle inspraak, alle klankborden en alle interactieve beleidsvorming komen daarna pas aan de beurt.
Begin-spraak is dus vooral een goedbedoelde reclameslogan om mensen over te halen zo snel mogelijk mee te praten. Heel aardig en uitnodigend, maar het woord ‘begin’ zet mensen op het verkeerde been. Zeker, omdat de term beginspraak in Zwolle vooral wordt gebruikt bij ruimtelijke plannen. In die gevallen komt het gevaarlijk dicht in de buurt van volksverlakkerij. Bij ruimtelijke planvorming is de belanghebbende of alleen maar belangstellende burger per definitie nooit de eerste die aan zet is. Dat is zonder uitzondering de grondeigenaar, de ontwikkelaar, de initiatiefnemer. Die heeft al lang met de gemeente om tafel gezeten als de burger er weet van krijgt dat er iets in zijn directe leefomgeving staat te gebeuren.
Bovendien gaat er aan de beginspraak altijd nog een belangrijke stap vooraf: de gemeenteraad stelt de kaders van het plan vast. De raad bepaalt de grenzen waarbinnen de burgers moeten blijven als ze meedenken, meepraten en in sommige gevallen echt meetekenen. Logisch, want de raad vertegenwoordigt de belangen van alle inwoners van de stad, niet alleen die van de direct belanghebbenden en betrokkenen die om tafel zitten en voor hun eigen belang opkomen. Dat laatste is hun goed recht, en daarom is interactieve beleidsvorming ook een prima middel om mensen er goed bij te betrekken. Maar uiteindelijk moet er ook een afweging tussen verschillende en veelal tegengestelde belangen worden gemaakt. Dat laatste woord is aan de vertegenwoordigers van de hele stad. Eigenlijk best slim bedacht indertijd.
Verkiezingen zijn beginspraak
Maar hoe zit het dan met de kloof? Die kloof, beste mensen, die kloof is kletspraat. Kijk naar de laatste paar verkiezingen. Als iemand vindt dat hij niet goed wordt vertegenwoordigd door de bestaande partijen, dan richt hij er gewoon zelf een op om het land weer leefbaar te maken. En als iemand denkt dat de volkspartij voor vrijheid en democratie zich beter alleen op de vrijheid kan richten en niet op democratie en hij vindt dat die partij Henk en Ingrid niet goed meer vertegenwoordigt, dan stapt hij eruit, zoekt een knokploeg bij elkaar en bestormt het parlement – figuurlijk dan hè, want ze zitten (op een knokpartijtje in Nieuwspoort na althans) met zijn allen heel braaf in de kamerbankjes hun volksvertegenwoordigende rol te vervullen.
Populisten bewijzen de vitaliteit van de vertegenwoordigende demokratie. De burger kiest een stel vertegenwoordigers om niet zelf al die saaie stukken te hoeven bestuderen en als ze dat niet naar zijn zin doen, dan donderen ze maar op. Ten slotte bepaalt hij wie hem mag vertegenwoordigen. Dat staat echt aan het begin van de demokratische cyclus.
Als jullie het goed vinden, buig ik me nu namens een paar duizend Zwollenaren weer over onze perspectiefnota, de investeringsagenda en de bezuinigingsplannen. Bij de volgende ontmoeting (en uiterlijk bij de volgende verkiezingen) kom ik er wel achter of ik het naar hun tevredenheid doe.
Zwolle Fietsstad
Sinds begin van dit jaar lanceer ik elke maand een fiets-tip. Op die manier vraag ik steeds op een andere manier aandacht voor een vast thema: Zwolle Fietsstad. Deze manier van ‘actie voeren’ bevalt me wel: vanuit de oppositie leveren we zo een kleine maar constructieve bijdrage aan het fietsklimaat in de stad, we trekken er steevast de aandacht mee en wel op een punt dat belangrijk is voor onze natuurlijke achterban.
Het begon allemaal met ons verkiezingsprogramma. Daarin hebben we een hele serie concrete voorstellen gedaan om Zwolle, toch al een echte fietsstad, echt tot de nummer 1 van het land op te stoten. Maar hoe realiseer je dit soort dingen vanuit de oppositie?
Een tweede ingrediënt voor deze formule kreeg ik aangereikt bij de tussenevaluatie na de eerste paar maanden van deze raadsperiode. We hebben een fractie, een aantal actieve burgerleden (elders heten ze ook wel duo-raadsleden) en een steunfractie die geregeld meedenkt met de fractie. Maar, zo was de vraag, hoe kunnen we nu nog meer mensen uit de afdeling betrekken bij wat we doen? Een van de ideeën was om thema-avonden te organiseren in plaats van de reguliere afdelingsvergaderingen. Ik heb toen meteen het thema Zwolle Fietsstad naar voren geschoven: dat is bij uitstek een thema waar mensen makkelijk over kunnen meedenken en –praten.
Zo gezegd, zo gedaan. Eind vorig jaar hielden we een bespreking die kwantitatief misschien niet zo’n geweldig succes was – er waren niet noemenswaardig meer leden dan anders –, maar kwalitatief wel: aan het eind van de avond stond het bord volgeschreven met zo’n 25 knelpunten, prima ideeën en wensen verdeeld over de deelaspecten ‘rijden’, ‘stallen’, ‘veilig’, ‘prettig’ en ‘extra’s’.
Vervolgens heb ik in overleg met de steunfractie een lijstje opgesteld met tien concrete onderwerpen om het hele jaar door elke maand aandacht voor het thema te kunnen vragen (in de zomermaanden hebben we vooralsnog twee maanden rust ingepland). Daarbij houden we een beetje rekening met typische seizoensgebonden aspecten (‘licht op de fiets’ is niet echt een zomers onderwerp, om eens wat te noemen), maar in de praktijk blijken er voldoende actuele kwesties te zijn waarvoor we de oorspronkelijke planning in de la laten liggen. En met het ronduit zomers te noemen voorjaar hebben we een actie rond een veelgebruikte recreatieve route maar naar voren gehaald.
Waar moet je nu concreet aan denken? Welke hemelbestormende plannen hebben we de wereld in geslingerd?
De eerste tip van het jaar hebben we afgekeken van Apeldoorn en Eindhoven: daar heeft men samen met het Fietsberaad het concept ‘Fiets-en-Win’ geïntroduceerd om het gebruik van de bewaakte fietsenstallingen te stimuleren. Als fietsers gebruik maken van een gratis bewaakte stalling die we in de stad hebben, ontvangen zij een lot waarmee ze in een periodieke loterij mooie prijzen kunnen winnen. We hebben dit concept onder de aandacht gebracht door middel van een open brief aan BenW. Inmiddels heb ik van de betreffende ambtenaren gehoord dat men binnenkort met een weloverwogen reactie op dit voorstel komt.
In februari heb ik mondelinge vragen gesteld over de mogelijkheid om een openbare straatpomp te plaatsen bij een fietsstraat die in voorbereiding is.
Die fietsstraat is op zichzelf nog een succes uit de afgelopen acht jaar dat GroenLinks samen met de plaatselijke Groenen in het college zat. Er is een fietsstratenplan vastgesteld, waarbij op de hoofdfietsroutes vanuit alle windstreken naar het centrum, voor zover het niet al om vrij liggende fietspaden gaat, de straten zo worden ingericht dat auto’s als het ware te gast zijn op het fietspad. Er is al met succes een aantal fietsstraten ingericht en nu komen er dit jaar nog een paar bij.
Ik kreeg van mijn fractievoorzitter een mailtje door, dat een tijdje was blijven liggen, van een Zwolse ondernemer die fietspompen voor op de openbare weg produceert en die nul op zijn rekest had gekregen toen hij de gemeente zo’n ding gratis op proef had aangeboden.
Een en een is twee: ‘in een fietsstraat hoort een fietspomp’ werd de titel van de actie van februari. Meteen een leuk succesje ook: het college ging er prompt op in en kwam spontaan met nog een andere mogelijke locatie voor zo’n pomp: bij het nieuwe fietspad over de spoorbrug voor de Hanzelijn.
Twee onderwerpen van de oorspronkelijke lijst waren inmiddels afgedaan als te tijdrovend in de uitvoering dan wel te duur in tijden van bezuinigingen. Maar al rijdend door de stad zette ik mijn ergernis voor het rode licht over de zogeheten wachttijdvoorspellers die hun naam logenstraffen, om in een nieuwe actie voor maart: een pleidooi voor een ‘groene golf’ voor fietsers d.m.v. technisch betere detectiemogelijkheden van naderende (groepen) fietsers. Inmiddels heeft de vvd-wethouder van verkeer al laten weten dat ook hij de huidige wachttijdvoorspellers niet meer van deze tijd vindt. Er is een onderzoek gestart naar alternatieve mogelijkheden. Over enkele weken zullen we weten wat onze schriftelijke vragen over dit onderwerp daadwerkelijk teweeg brengen.
Onze jaarlijkse Kievitsbloemenfietstocht leverde de munitie voor de actie van april: een rondzendmail met een ‘powerpoint’ waarin een paar flinke knelpunten op deze populaire fietsroute in beeld zijn gebracht.
Wie benieuwd is naar de fiets-tips in de rest van het jaar (en de resultaten van de genoemde acties) houde onze website in de gaten: http://zwolle.groenlinks.nl/fietsstad.
Weblog Zwolle
In Zwolle zijn we gezegend met een geweldige weblog (met een weliswaar wat fantasieloze maar wel heel logische naam).
Geweldig omdat een legertje razende reporters overal bij is als er wat te doen valt in de stad en daarvan binnen de kortste keren verslag doet op weblogzwolle, vaak met een serie eigen fraaie foto’s.
Ook geweldig is dat ze elk persbericht dat je ze stuurt integraal overnemen. Naar journalistieke maatstaven is dat misschien niet zo geweldig (op de opleiding moesten we als eerstejaars althans tot vervelens toe persberichten herschrijven), maar voor een politieke partij is dat lekker handig natuurlijk. Niet dat we te klagen hebben over De Stentor (in de volksmond nog steeds de Zwolse Courant trouwens) of huis-aan-huis-blad De Peperbus (vernoemd naar de kerktoren in de binnenstad met die vorm). Maar die willen vanwege hun journalistieke professionaliteit nog wel eens een eigen draai geven aan je nieuwtje. Op weblogzwolle staat je verhaal precies zoals je het zelf bedoeld hebt. Helemaal geweldig.
En het weblog wordt behoorlijk goed gelezen. Terecht, want de ruim zestig mensen die het weblog tijdens het tikken van de bovenstaande regels bezochten hebben in de tussentijd maar liefst al drie nieuwe berichten zien verschijnen. Onder die artikelen staat nu nog “Reageer! (0)” Maar dat kan snel veranderen. Soms komen er tientallen reacties op een bericht. Voor je nu denkt dat ik daar ook meteen de kwalificatie ‘Geweldig’ aan toevoeg… daar wil ik het nu juist eerst even over hebben.
Onlangs presenteerde ik, samen met een aantal partners uit de stad, een plan voor de verfraaiing van een brug over de stadsgracht. Die brug is in de jaren ’70 van de vorige eeuw 28 meter breed gemaakt, omdat men toen nog het idiote plan had omarmd om een snelweg dwars door de historische binnenstad aan te leggen. (Je kunt met eigen ogen komen kijken waarom het maar goed is dat dat onzalige plan de stad uiteindelijk bespaard is gebleven.) Nu is de brug een desolate asfaltvlakte waar per uur tientallen stads- en streekbussen overheen rijden en op drukke winkelmomenten honderden automobilisten proberen een plekje in de parkeergarage net over de gracht te bemachtigen. Op onze website (zie de pagina http://zwolle.groenlinks.nl/breed, vanwege die 28 meter, begrijp je) kun je lezen en zien hoe die brug met een paar simpele ingrepen al een stuk prettiger zou kunnen worden (zeker als straks de bussen een andere route nemen, zoals het plan is), maar daar gaat het mij nu niet om.
Op ons plan dat twee keer op weblogzwolle is terecht gekomen – eerst de aankondiging en later het verslag van de presentatie – zijn ruim twintig reacties gekomen, van twaalf verschillende bezoekers. Onder wie ‘rudy’ en ‘Sjaak’:
• Bericht door rudy, op 11 maart 2011 om 08:38
zinloos plan!
• Bericht door Sjaak, op 11 maart 2011 om 10:57
zinvol plan!
Aan zo’n uitwisseling van standpunten ken ik niet direct het predicaat ‘geweldig’ toe. In dezelfde categorie is de reactie van deze narcist:
• Bericht door ikke, op 3 maart 2011 om 23:56
Groen Links houdt nu eenmaal van bruggen met fietspaden en daar moet alles voor wijken.
Met zo’n gast ga ik maar niet in discussie. Gelukkig doen de reageerders dat over het algemeen onderling wel. En om eerlijk te zijn: ik heb in de gemeenteraad wel eens debatjes gehoord die onder dit niveau zaten:
• Bericht door stadshagen, op 10 maart 2011 om 23:21
Op deze brug staan regelmatig files. Hoe kun je dit oplossen als er rijbanen verdwijnen?
Dit plan slaat helemaal nergens op. Leuk idee om over te praten tijdens een borreltje. Maar meer ook niet.
• Bericht door Bart1, op 11 maart 2011 om 08:14
enige manier om van die files af te komen is de sluiting van de parkeergarages in de binnenstad. Vooral die onder de mediamarkt, maar ook die aan de pletterstraat en noordereiland. Deze zouden dan in 1 grote parkeergarage buiten de binnenstad moeten komen, met pendelbus naar de binnenstad, of op de plek van de vogeltjesbuurt (als dit al niet de bedoeling was). De garages kunnen omgebouwd worden tot iets nuttigs.
Voor de duidelijkheid: die Bart1 is geen pseudoniem van mij en (voor zover ik weet natuurlijk) ook niet van een van mijn fractiegenoten of onze steunfractieleden.
Wat je wel vaak ziet bij dit soort ‘gesprekjes’ op het net is dat de discussie – net als op verjaarsfeestjes en interruptiesdebatjes in de raadszaal – afdwaalt.
• Bericht door wichert, op 11 maart 2011 om 12:50
Swollwacht pleit al jaren voor een Transferium
[Wichert is actief voor deze lokale partij. PR]
• Bericht door Observer, op 11 maart 2011 om 17:34
@Wichert, een Transferium? nu de grootste tegenstander van een transferium, Wethouder Cnossen weg is, zijn er misschien nieuwe kansen???
Er is ook wel het een en ander af te dingen op de juistheid van de beweringen. ‘Observer’ schildert bijvoorbeeld in mijn ogen een al te negatief beeld van voormalig cu-wethouder Janco Cnossen, die in de vorige raadsperiode met GroenLinks nog in het college een mobiliteitsbeleid door de raad heeft gekregen waarin expliciet terugdringing van het binnenstedelijk autogebruik is opgenomen en die het autoluw maken van de binnenstad voor zijn rekening heeft genomen.
Veelal blijft het ook bij losse flodders zonder dat een twistpunt echt wordt uitgedebatteerd:
• Bericht door Observer, op 10 maart 2011 om 21:30
Uit alle bovenstaande reacties blijkt wel dat dit achter de Kamperpoortenbrug liggende gebied wel een oppepper kan gebruiken.
Waarom zou dit plan daar niet de aanzet voor kunnen zijn. Alleen met zeuren komen we er niet.
• Bericht door ingrid, op 10 maart 2011 om 21:42
@ Observer, da’s mooi maar doe dit maar even nu niet. We moeten al genoeg bezuinigen.
Wat hier helemaal buiten beeld blijft is dat de gemeente de komende maanden juist – ongeacht de bezuinigingen – samen met bewoners, gebruikers en bezoekers van de binnenstad tot een plan wil komen om de Zwolse binnenstad een flinke oppepper te geven.
Maar opvallend is dat in de reacties op ons plan een aantal maal standpunten met zeer relevante argumenten worden onderbouwd, zoals in een bijdrage over de komst van een nieuwe fiets- en voetgangersbrug in de buurt:
• Bericht door Observer, op 10 maart 2011 om 20:23
Die “andere’ brug is mijns inziens overbodig en stedenbouwkundig zeer ontsierend.
En ook zou deze brug op slechts 4 minuten loopafstand van de kamperpoortenbrug komen te liggen.
En daarbij, voor de helft van het geld kan de bestaande Kamperpoortenbrug opgepimpt worden.
De gemeente zou dus veel geld overhouden als ze de Rodetorenbrug niet zouden bouwen en dat is in deze tijd van bezuinigingen toch erg welkom?
Zo’n argumentatie zou op ons raadsplein ook bepaald niet misstaan. En wat te denken van Sjaak, die eerder nog alleen maar ‘zinvol plan’ noteerde. Hij blijkt bijzonder goed geïnformeerd te zijn:
• Bericht door Wallie, op 10 maart 2011 om 22:46
oww jah, en wat doen we aan die files op de brug in het weekend? met minder rijbanen zal dat er niet minder op worden. Staat straks de hele singel vol met auto’s
• Bericht door Sjaak, op 11 maart 2011 om 14:46
Dit plan moet in samenhang worden gezien met http://vimeo.com/8995467, anders is het inderdaad geen logisch plan.
In tegenstelling tot wat je aanvankelijk geneigd bent te denken, blijken zijn twee losse woorden ‘zinvol plan!’ geschraagd te worden door een behoorlijke kennis van zaken. Hij brengt dit nieuwe plan terecht in verband met een eerder voorstel van GroenLinks Zwolle voor de verkeerscirculatie in de omgeving van de brug: Sleutelring.
Al met al zijn de reacties van lezers op weblogzwolle misschien niet ‘helemaal geweldig’, maar hier en daar – in tegenstelling tot wat menigeen denkt over dit soort ‘forumpagina’s’ van een heel behoorlijk niveau. Daarmee is deze ode aan weblogzwolle compleet. Weblogzwolle – in een woord: geweldig!
documentatie:
• www.weblogzwolle.nl
• http://zwolle.groenlinks.nl/breed: ons plan voor de Kamperpoortenbrug
• http://www.weblogzwolle.nl/content/view/22001/55/: de aankondiging van de presentatie van ons plan + 4 reacties
• http://www.weblogzwolle.nl/content/view/22110/55/: verslag van de presentatie van ons plan (ons eigen persbericht, aangevuld met foto’s van de weblogreporter) + 19 reacties
• http://zwolle.groenlinks.nl/sleutelring: ons verkeerscirculatieplan dat de basis vormt voor het voorstel voor de brug
Rondje Raad – de uitgebreide versie*
‘Zwolle van stuwwal tot stad’ – aan de hand van dat boek heb ik Zwolle leren kennen, nadat ik hier eind jaren zeventig, halverwege mijn gymnasiumopleiding, kwam wonen. Sassenpoort en Hoornwerk, Wijnhuis en Roo Haen, Han Prins en Waanders werden vertrouwde namen voor me. Geschiedenis is de sleutel tot begrip. En mét de kennis groeide mijn waardering voor deze historische stad.
Ik woonde in die jaren in Westenholte, waar de stad oprukte in het IJssellandschap. Rustig wandelen of juist hardlopen op de IJsseldijken, de talloze fietskilometers over Zalkerveerweg en Assendorperlure, zitten op de deur van de Katersluis, de rivier op met het Kleine Veer– de kwaliteit van de stad, zo ervoer ik aan den lijve, wordt óók bepaald door het ‘ommeland’. (Van mij had Schelle mogen blijven zoals het toen was.)
Later woonde ik steeds op loopafstand van de binnenstad en er waren tijden dat ik ‘s avonds vaker in de binnenstad te vinden was dan thuis: Odeon en Fraterhuis trekken mij meer dan de tv (dat ik in die tijd nogal klein behuisd was, speelde vast ook mee). En een goed boek lezen is heerlijk, maar nog fijner is om er in een kroeg over te praten met goede vrienden… en een goed glas!
De historische binnenstad, het fraaie buitengebied en het culturele klimaat – de stad blijft zich steeds ontwikkelen. En aan die ontwikkeling werk ik als raadslid graag mee.
Verder kijken
Als docent klassieke talen heb ik mijn leerlingen vaak voorgehouden: je mag de aoristus en het gerundivum voor mijn part vergeten, waar het mij bij de bestudering van het verleden echt om te doen is: kijk verder dan je neus lang is (dat geldt overigens ook als je straks met Carnaval een feestneus op hebt)! Ik bedoel daarmee: je moet verder terugkijken dan wat de krant schrijft over het nieuws van gisteren. Verder vooruitkijken dan wat we morgen willen hebben. Ook letterlijk verder kijken dan je eigen territorium. En figuurlijk: over de grenzen van je eigen cultuur heenkijken.
Zo ‘zit’ ik ook in ‘de politiek’. Discussies over demokratie en inspraak gaan terug tot de tijd van Sokrates en Plato, niet slechts tot Van Mierlo. De oude filosofen hadden bijvoorbeeld een scherp oog voor de nadelen van de directe demokratie waarin zij leefden. Zo waarschuwden zij voor besluitvorming op basis van emoties in plaats van argumenten… Net als de klassieke denkers ga ik graag in gesprek over de beste manier om beslissingen te nemen.
En zo bekijk ik ook de ontwikkeling van Zwolle. In het verleden hebben Zwollenaren hun stad steeds aangepast aan steeds nieuwe wensen. Wij doen niet anders. Er komen nieuwe wijken waar het groen was, nieuwe bruggen over de gracht, nieuwe lantaarnpalen in de oude binnenstad. En onherroepelijk verdwijnt er ook iets, het gouverneurshuis, het bankgebouw van Van Straaten, de verffabriek van Schaepman. Soms doodzonde, soms de beste oplossing (bij die groene ruimte is dat eigenlijk nooit zo trouwens).
Daarbij komt dat we onze leefomgeving niet alleen voor onszelf inrichten. Ook alle generaties na ons moeten het ermee doen. Hebben mijn en uw kinderen uiteindelijk meer aan een snelweg naar Ommen of aan een fraai beeldenpark in het Vechtdal?
Denken over politiek
Ik houd het bij deze voorbeelden. Anders ga ik maar door hoor. Over bestuurlijke grenzen die knellen in plaats van afbakenen (waarom wil onze gemeente nog een eigen lege bedrijventerrein erbij, terwijl er net over de IJssel ook al eentje ligt?). Over de waarde van cultuur, van Verhalenboot tot Bevrijdingsfestival (maar liever nog over dat fantastische kwaliteitsfestival ZwArt!). Of hoe dom het is je eigen cultuur boven die van anderen te stellen (mogen ‘zij’ dat niet dan?).
Ik vind het belangrijk na te denken over politiek, maar ook om de daad bij het woord te voegen.
Voor dat laatste kunt u mij volgen op het raadsplein. Ik zit in het vak van GroenLinks.
Voor meer woorden verwijs ik u naar mijn weblog. Ik ga graag met u in debat!
*een versie van 450 woorden is gepubliceerd in de serie Rondje Raad in de Raadswijzer in het huis-aan-huis-blad De Peperbus in Zwolle
Kunduz en Zwolle – gedachten over demokratisch besluiten
Sinds ik het actief stemrecht verkreeg heb ik mij zo’n vijfentwintig jaar lang veroorloofd om er ongebonden aan enige denkrichting en onafhankelijk van enige organisatie meningen op na te houden en oordelen te ventileren. Ruwweg de helft van die periode placht ik bovendien jongeren die werden voorbereid om een academische opleiding te volgen, kritisch en onafhankelijk te leren denken onder het wijze en bescheiden Sokratische motto: ‘ik weet alleen dat ik niets (zeker) weet’.
Nadat ik kinderen had gekregen, heb ik deze ‘comfortabele positie’ aan de zijlijn opgegeven en ben ik actief geworden in de lokale politiek. Om bij te dragen aan de inrichting van onze eigen leefomgeving, met het oog op de huidige én de toekomstige inwoners van de stad Zwolle en haar prachtige buitengebied. Bewust beperk ik mij daarom hoofdzakelijk tot de gemeentepolitiek en tot de terreinen die niet alleen mijn speciale belangstelling hebben, maar waarin ik als liefhebber ook enige deskundigheid heb opgebouwd. Ik weet waar ik een beetje van afweet.
Als je namens een politieke partij in het openbaar standpunten inneemt, verkondigt en verdedigt – ook al is het een open, ondogmatische partij met een stevige debatcultuur als GroenLinks – kun je het principe van freischwebende Intelligenz niet langer onverkort volhouden. Je vertegenwoordigt immers een bepaald gedachtegoed in het debat, je spreekt namens een groep min of meer gelijkgezinden, je standpunt is gevestigd in een politiek programma op grond waarvan je gekozen bent. Maar soms moet je het toch gewoon zelf weten.
Ik pretendeer helemaal niet verstand te hebben van buitenlands beleid, ontwikkelingssamenwerking of defensie. Dus anders dan als ik praat over de inrichting van de Zwolse binnenstad, de mobiliteitsvisie voor onze gemeente of de effectiviteit van wat we hier ‘beginspraak’ noemen, moet ik het in deze kwestie alleen hebben van mijn gezond verstand. Dat gezond verstand stelt venijnige sokratische vraagjes. “Wat denk je nou dat Rutte en Hillen tegen hun vrinden in het bondgenootschap zullen zeggen? Zullen ze niet met een hoop aplomb pochen: ‘Wij hebben het voor elkaar gekregen hoor, op ons kun je rekenen, wij blijven voluit meedoen!’ Denk je niet dat de regering dit besluit ziet als het sturen van soldaten, met als rookgordijn voor GroenLinks een paar politieopleiders? En denk je niet dat als die soldaten en vliegtuigen eenmaal daar in Kunduz zijn, geen Haagse oppositiepartij ze daar weer vandaan krijgt, ook al wordt allang niet meer voldaan aan al die spijkerharde voorwaarden?” Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat ik het antwoord wel weet.
Het wezen van demokratie is dat iedereen een stem heeft, iedereen heeft het recht op het vrije woord en ieders mening telt. Dus ook al heb ik er geen verstand van, ik heb op het congres voor de anti-missie-moties gestemd. Het enkele feit dat de partij van de aangenomen mildste motie waarin treurnis wordt uitgesproken over het omstreden fractiebesluit, vooral de positieve kanten benadrukt (Jolande Sap: ‘GroenLinks-leden zien dat we op zorgvuldige wijze steun hebben verleend aan de trainingsmissie’), maakt mij er niet gerust op dat deze stem werkelijk is doorgedrongen. (Maar dat weet ik natuurlijk niet zeker.)
Het voordeel van vertegenwoordigende demokratie is dat we mensen met enig verstand van zaken en de tijd om er over na te denken namens ons laten beslissen. Het nadeel is dat je je vertegenwoordigers over concrete beslissingen pas achteraf ter verantwoording kan roepen (al geef je ze wel een zeker mandaat mee via uitgangspunten en verkiezingsprogramma’s). Ik probeer het vertrouwen dat mijn kiezers in Zwolle onze fractie hebben gegeven zo goed mogelijk waar te maken op de terreinen waar ik een beetje verstand van heb. Ik laat me daarbij zo veel als mogelijk is voeden door wat leden en sympathisanten ons meegeven. Maar het is onvermijdelijk dat een aantal GroenLinks-stemmers in Zwolle het soms oneens is met wat onze fractie besluit. Zo verteer ik nu ook een besluit van mijn vertegenwoordigers* in de landelijke politiek waarmee ik het niet eens ben. Ik weet nu eenmaal: ook volksvertegenwoordigers moeten het zelf weten.
*Dat ik een voorkeursstem heb uitgebracht op Ineke van Gent en mij door haar in dit geval dus heel goed vertegenwoordigd weet, doet niet af aan de strekking van mijn betoog.
reageer